Klik hier als u meer wilt lezen over ons privacybeleid en gebruik van cookies.

(Niet meer tonen)

Obama's economische beleid weinig vaderlandslievend

Geplaatst door Nick Ottens op 1 oktober, 2012 - 12:45
Barack Obama

De Amerikaanse president Barack Obama riep vorige week op tot een "economisch patriotisme" en beloofde bedrijven te belonen die "investeren in Amerika, in plaats van banen naar het buitenland te verschepen."

Het mag inmiddels duidelijk zijn dat de Democraat weinig verstand heeft van economie. Hij leende bijna 800 miljard dollar om de economie te "stimuleren," maar moest twee jaar later toegeven dat van de gedroomde banenwinst in infrastructuur weinig was terechtgekomen. De werkloosheis is even hoog als toen de president in januari 2009 aantrad. Het besteedbare inkomen van de gemiddelde Amerikaan is nog nauwelijks van de crisis hersteld. De huizenprijzen zijn pas de afgelopen paar maanden voorzichtig gaan stijgen. Alleen de beurs laat mooie cijfers zien, maar wat wil je als de centrale bank bijna 2000 miljard dollar in de banken heeft gepompt. Structureel is er weinig verbeterd.

Toch houdt Obama vol dat zijn beleid vruchten zal afwerpen. Hij belooft een miljoen banen in de maakindustrie te scheppen en de Amerikaanse uitvoer te verdubbelen. Bedrijven die hun productie naar het buitenland verplaatsen moeten meer belasting gaan betalen. "Dat geld zou gebruikt moeten worden om de verhuiskosten van bedrijven te vergoeden die banen terug naar huis brengen," zei hij afgelopen januari.

Vrijhandel
In plaats van zich af te vragen waarom bedrijven weggaan (denk bijvoorbeeld aan het feit dat Amerika de hoogste belasting voor bedrijven in de Westerse wereld kent), is Obama's reflex ondernemers te straffen die niet "patriotisch" zouden zijn. Helaas, er is niets vaderlandslievends aan handel. Maar zelfs als bedrijven hun productie naar het buitenland verschepen, kan dat gunstig zijn voor de Verenigde Staten.

Neem het voorbeeld van China, een land dat volgens de president "niet volgens de regels speelt" omdat het de eigen industrieën subsidieert. (Ironisch, aangezien het Obama was die twee Amerikaanse autofabrikanten nationaliseerde en miljarden aan subsidies vrijmaakte voor "groene" energieproducenten.) De conservatieve denktank de Heritage Foundation deed onderzoek naar de effecten van handel met China en kwam tot de conclusie dat honderdduizenden Amerikanen er hun baan aan danken. Alleen al aan de productie van en handel in kleding en speelgoed uit China werkten in 2010 maar liefst 576.000 Amerikanen. Dan gaat het om banen in de groothandel, marketing, transport, etc. The Wall Street Journal wijst er nog eens op dat van elke dollar die wordt uitgegeven aan een product dat in China is gemaakt, 55 cent naar Amerikanen gaat die werken aan het ontwerp, de productie van onderdelen, transport, marketing, verkoop, ga zo maar door.

De conclusie moet zijn dat vrijere handel met China (en elk land, wat dat betreft), in Amerika werk oplevert. In plaats van handelsbarrières af te breken, spant de regering-Obama een zaak aan tegen China bij de Wereldhandelsorganisatie, omdat het nota bene de productie van auto's subsidieert. De pot verwijt de ketel dat 'ie zwart ziet.

Blue collar jobs
Net als in Nederland bestaat in de Verenigde Staten het beeld dat het slecht gaat met de maakindustrie. Dat komt vooral doordat in de sector de afgelopen decennia veel banen zijn verloren. Ook is de maakindustrie tegenwoordig verantwoordelijk voor een minder groot deel van het Amerikaanse bruto binnenlands product, maar dat komt vooral doordat diensten sterk zijn gegroeid. De maakindustrie is in relatieve zin gekrompen. De industriële productie is de afgelopen twintig jaar echter met 80 procent gestegen. De reden is dat fabrieksarbeid in Amerika meer is geautomatiseerd en gespecialiseerd dan in de meeste andere landen. Amerikaanse fabrieksarbeiders behoren tot de meest productieve ter wereld.

Amerikaanse fabrieken maken geen speelgoed meer, maar medicijnen en vliegtuigonderdelen. Dat rechtvaardigt de hogere loonkosten in het land, maar voor een aanzienlijk deel, laaggeschoolde arbeiders blijft er een gebrek aan werk. Juist de industrie die hier werk kan leveren, wordt door de regering van Barack Obama op alle mogelijke manieren tegengewerkt.

De president wil minder olie en gas importeren en zogenoemde blue collar jobs scheppen. Schaliegas- en oliewinning hebben sinds 2008 landelijk meer dan 600.000 nieuwe banen geleverd. In North Dakota zijn de afgelopen jaren meer banen toegevoegd in vergelijking met de bevolking van de staat dan in enige andere. De olieproductie is daar de afgelopen vier jaar meer dan verviervoudigd. In de voormalige industriestaten van het noordoosten zoals Ohio, Pennsylvania, Virginia en West Virginia, is de kolen- en staalindustrie bijna helemaal weggevaagd, maar energiebedrijven staan klaar om miljarden te investeren in schaliegas en de chemiesector. Wat houdt ze tegen? De regering van Barack Obama.

De Amerikaanse milieudienst EPA maakt vrijwel onmogelijk om nieuwe kolen- en gascentrales te bouwen, omdat de uitstootnormen bijna niet haalbaar zijn. De belangenorganisatie van kolenproducenten waarschuwt (PDF) dat als het huidige bewind wordt voortgezet tot tweehonderd bestaande kolencentrales de komende vijf jaar de deuren zullen moeten sluiten. Strenge milieueisen en bureaucratische rompslomp maken het buitengewoon lastig een vergunning te krijgen om naar olie en gas te boren.

Bedrijven herinneren zich ook maar al te goed dat de regering in 2010, na de olieramp in de Golf van Mexico, een moratorium instelde op diepzeeboringen. Dat verbod werd op last van de rechter opgeheven, maar sindsdien zijn er nauwelijks vergunning voor olieboringen in het gebied afgegeven. Obama weigerde ook de bouw van de Keystone XL pijplijn goed te keuren die olie van Canada naar de haven van Houston, Texas moet brengen. Zelfs de vakbonden, traditionele bondgenoten van de Democratische Partij, wijzen erop dat de bouw en het onderhoud van de pijpleiding tienduizenden banen kan opleveren.

Onvoorziene gevolgen
In plaats van meer olie en gas te produceren, wil Obama het brandstofverbruik terugdringen met een benzinenorm. Dat de prijs van een gemiddelde auto hierdoor met 1800 dollar stijgt, zou gecompenseerd moeten worden met minder benzineverbruik, maar die besparing levert pas na jaren geld op. Om de norm te halen, moet de Amerikaanse ethanolproductie de komende tien jaar verdrievoudigen. Ethnol wordt immers met benzine vermengd zodat er minder vraag is naar olie.

In de Verenigde Staten wordt ethanol vooral uit mais gewonnen. De maisprijs stijgt als gevolg van de benzinenorm. Terwijl wereldwijd de vraag naar voedsel sterkt toeneemt, gaat Amerika dus meer mais verbranden. Ook de prijs van vlees stijgt, omdat mais wordt gebruikt in veevoer. Dat terwijl ook de wereldwijde vraag naar vlees snel toeneemt, vooral in Azië. Meer vraag, minder aanbod. Dat zijn extra kosten voor de Amerikaanse consument, bovenop de duurdere auto.

Dergelijke onvoorziene gevolgen zijn kenmerkend voor een planeconomie. Bureaucraten in Washington kunnen niet de gehele productieketen overzien. Wanneer je op een plek aan de knoppen draait, heeft dat elders een nadelig effect waar de regering geen rekening mee kan houden.

Geen wonder dat het vertrouwen van het Amerikaanse zakenleven in de regering de afgelopen vier jaar sterk is afgenomen. Dat is de voornaamste reden dat de concurrentiekracht van de Amerikaanse economie inzakt, volgens het Global Competitiveness Report (PDF) van het World Economic Forum.

Business leaders [...] remain concerned about the government’s ability to maintain arms length relationships with the private sector and consider that the government spends its resources relatively wastefully.

Vrij vertaald:
Zakenmensen maken zich zorgen over het vermogen van de overheid om op armlengte afstand te blijven van de private sector en zijn van mening dat de regering haar middelen relatief verkwistend besteed.

Voorbeelden alom. Miljardensubsidies aan failliete producenten van zonnepanelen, investeringen in elektrische auto's die niemand koopt, een "stimuleringsprogramma" voor de Amerikaanse infrastructuur dat geen banen heeft opgeleverd.

Wat is er vaderlandslievend aan het uitgeven van belastinggeld aan hopeloze linkse hobby's? Barack Obama gelooft dat dat de manier is om de Amerikaanse economie uit het slop te trekken. Hij kan het "economisch patriotisme" noemen, maar in de praktijk werkt het het herstel van de economie vooral tegen. Amerikanen worden opgezadeld met hogere belastingen en prijsstijgingen.

De Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney vatte het als volgt samen: "President Obama belooft de stijging van de zeespiegel een halt toe te roepen en de planeet te helen. Mijn belofte is om U en Uw gezin te helpen." Vraag is of dergelijk gezond verstand het in november wint van mooie woorden.

Reacties

von Starhemberg op 1 oktober, 2012 - 13:14

De mooie woorden.

Net als hier. Let maar op...

shrimpocat op 1 oktober, 2012 - 13:55
Obomov op 1 oktober, 2012 - 16:13

Obama heeft weinig verstand van economie

Hij zal het wel niet zelf verzonnen hebben maar afgaan op zijn economisch adviseurs. Dat waren Larry Summers en de voormalige  chef van de centrale bank van New York, ben zijn naam even vergeten, beide hardcore Keynesianen. Opmerkelij natuurlijk dat er bij zo'n Obama en de rest van zijn entourage geen belletje gaat rinkelen wanneer alles wat hij onderneemt de zaak alleen verergert. Eigenwijs, zou ik zeggen. Dat verklaart ook waarom hij na Ronald Reagan en de jaren 70 nog niet begrepen heeft dat zijn stimuleringsbeleid niet zou werken. Hij wil het niet snappen. Hetzelfde zien we in Nederland met allerlei linksmensen en eurofielen die bewezen foutief beleid blijven doordrammen. Je moet die politici net als kleine kinderen hun speeltje afpakken, anders houden ze niet op.

© 2009 - heden Dagelijkse Standaard. Alle rechten voorbehouden.