Klik hier als u meer wilt lezen over ons privacybeleid en gebruik van cookies.

(Niet meer tonen)

Oek schreef een boek

Geplaatst door Boudewijn van Houten op 5 maart, 2013 - 13:00

Het maalt maar door, die Nederlandse romankunst. Maar je wordt er niet warm of koud van. Waarom?

Laat ik vooropstellen dat ze in het buitenland ook een boel vervelende boeken weten te maken. Neem Frankrijk. God, wat was het een verademing toen Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq verscheen: eindelijk een boek met kloten. Dat kon je, vele jaren eerder, ook zeggen van de eerste boeken van Amélie Nothomb, maar die vrouw had al gauw niets meer te zeggen en ging toen maar het soort literaire kitsch schrijven dat het in Parijs altijd zo goed doet – gekunsteld en overbodig.

In Nederland, waar de schrijver een brave ambtenaar is die niet graag ontslagen wordt, is het theoretisch al bijna uitgesloten dat ooit nog eens iets pittigs het licht zal zien. Het heeft ook iets schools, onze letterkunde. Allemaal leveren onze auteurs keurig hun opstel in en krijgen een voldoende van de leraar. Ik heb persoonlijk niets aan die opstellen, maar onze vrouwelijke uitgevers vinden ze prachtig.

Wat zei ik daar! Ik zal het even uitleggen. Vrouwen kunnen niet schrijven en hebben ook niet veel gevoel voor literatuur. De heel eenvoudige verklaring hiervoor is dat vrouwen niet van de waarheid houden. Nu, goede literatuur heeft iets met waarheid van doen. Of er wordt enige waarheid verteld óf we krijgen een waarachtig beeld van de schrijver. Vrouwen houden doorgaans van beide niet. Voor hen moet het gezellig blijven. Vandaar het huidige succes van historische romans, waarin gewoon maar wat raak geluld kan worden, zonder enige binding met de werkelijkheid of met het karakter van de schrijver. Als een vrouw voor een keer wel een fatsoenlijk boek levert, dan is ze doorgaans lesbisch. Zie Patricia Highsmith.

We hebben net de Dikke Oek achter de kiezen, Pier en oceaan, aanvankelijk door de uitgever zelfs over twee delen verdeeld. Wat zal dat Oek goed bevallen zijn. Net als ‘Anna Karenina’ bij Van Oorschot! Want we weten dat Oek onze Tolstoj wil zijn. Maar daarvoor is hij toch te veel alleen maar verteller.

Hij vertelt overigens verdomd goed. Ik begon met frisse tegenzin aan het boek, maar al gauw moest ik toch erkennen dat hier allemachtig goed verteld werd, beter dan ik het ooit zou kunnen. Kom je met deze schrijver bij het strand, dan ruik je de zee. Doe het hem maar eens na. Ik heb hier bewondering voor, ik ben zelfs jaloers op deze vaardigheid.

Toch ga ik Oek niet nadoen. Ik geef ruim de voorkeur aan een schrijver als Georges Simenon, die in alineaatjes van hooguit vier regels of zelfs maar in een enkele tussenregel de sfeer weet te scheppen waarin het verhaal zich afspeelt, en een duidelijk idee van het decor weet te geven. Meer hoeft het mijns inziens niet te zijn. Als iemand me vertelt dat hij de tram gemist heeft, hoef ik ook niet te weten welke reclame op de tram stond en hoe de passagiers waren die hij voor zijn neus zag wegrijden. Een auteur kan met minder toe. Maar je hebt van die schrijvers die het niet kunnen laten je elk detail door de strot te drukken. Vestdijk was er zo eentje – en ik denk dat Oek hem ook wel als voorbeeld heeft genomen. Brakman: van hetzelfde garen een pak. Van der Heijden: ook een grootmeester van het poëtische detail – ik meen me te herinneren dat hij ooit in een interview zei dat hij mooie beelden die hij bedacht, in een computer stopte om ze later zo mogelijk te gebruiken. Doodeng! Al die Nederlandse schrijvers van vandaag zijn trouwens nijvere knutselaars, die zodra vrouw en kinderen de deur uit zijn, zich in hun werkkamer terugtrekken om weer een paar onsterfelijke bladzijden voor ons te componeren. Dag in dag uit. En dan heb je op een gegeven moment Pier en oceaan.

Flaubert deed vijf jaar over Madame Bovary, maar niet ieder boek waar je vijf jaar over doet, zal zo goed als Madame Bovary zijn. Misschien deed Oek daarom voor alle zekerheid acht jaar over Pier en oceaan. Hoe het ook zij, al dat kantwerk maakt nog geen literatuur. Ik moest bij het lezen van Pier en oceaan aan Roland Holst denken die door Willink was geportretteerd en het eindresultaat kwam bekijken. Toen hij zag hoe Willink zijn slipover had uitgebeeld, zei hij iets als: ‘Carel, dat heb je niet geschilderd, dat heb je gebreeën!’ Pier en oceaan is ook gebreeën.

Het boek geeft ongetwijfeld een tijdsbeeld, een beeld van de periode 1952-1971 om precies te zijn. Dat zal de recensenten wel bevallen, want er zijn maar weinig mensen die zich voor literatuur interesseren: voetballen, wielrennen, politiek en de sociale aangelegenheden zitten hun veel hoger. Nu pleit het wel voor Oek – ja, ik blijf het een olijke naam vinden, hoewel hij eigenlijk Oebele heet, nog olijker – dat hij zich niet al te vaak schuldig maakt aan goedkope politieke duidingen. Daar is hij te intelligent en te fijnzinnig voor. Hij gooit ons het leven gewoon in de schoot – en dat siert hem.

Waarom sprak dit boek me dan toch zo weinig aan? Er waren dus wel de beschrijvingen die ik mooi vond en de waarnemingen die me heel juist leken, maar ik dacht steeds: zo kun je eindeloos doorgaan. Wat denkt u van de periode 1932-1951 of 1972-1991? Oek zal heus wel genoeg eigen herinneringen en familieverhalen hebben om er hier ook weer een huis van te bouwen. En men zal steeds meer respect voor hem krijgen, voor deze chroniqueur.

Ik miste gewoon een ziel in dit alles. Schrijven is niet bladzijden zwart maken, maar een karakter, liefst een boeiend karakter, op papier smijten. Dat kan op alle mogelijke manieren gedaan worden – Voltaire zei al dat alle genres goed zijn behalve het vervelende – maar de lezer moet wel gefascineerd raken en… zich niet vervelen. Ik moet eerlijk zijn: Pier en oceaan is zo goed geschreven, dat ik me nooit echt verveelde, maar ik had toch steeds het gevoel dat ik mijn tijd beter kon besteden. Een schrijver mag een schurk zijn à la Multatuli, hij mag malle theorieën te berde brengen à la Nietzsche, hij mag plat en grof zijn à la Bukowski, maar hij moet wel een verschijnsel zijn waarvan het boek je een vermoeden geeft. Zo’n vermoeden wekt Oek niet. En een vraaggesprek met hem in de dubbeldikke kwaliteitskrant liet duidelijk zien dat Oek een keurige en noeste werker in letterland is, maar is hij nog wat meer? Misschien heeft hij geleerd dat je dit dan beter maar kunt verbergen, zoals zijn vader als staatssecretaris ook wel gedaan zou hebben. De hoofdpersoon van Pier en oceaan, Abel Roorda, bleef zelfs zo onduidelijk voor me, dat ik zeker niet langs die weg iets over de auteur te weten kon komen. Oek heeft iets van een eunuch voor me. In ieder geval zal hij voor zijn volgende boek zonder enige twijfel weer een subsidie van het Nederlands Letterenfonds krijgen. Daar kun je vergif op innemen.

© 2009 - heden Dagelijkse Standaard. Alle rechten voorbehouden.