
Het Westen heeft altijd de mond vol over mensenrechten en democratie, maar als de nood aan de man komt en pro-westerse dictators zoals nu in Tunesië, Egypte en mogelijk nog meer moslimlanden, dreigen te worden weggeblazen, treden er altijd grote aarzelingen op. De angst voor Iraanse toestanden zorgt voor gemengde gevoelens, waarbij overwegingen van Realpolitik en zorg om de 'stabiliteit' worden afgewisseld door hoop op betere tijden en de noodzaak om tot een 'gereguleerde' en soepele overgang naar democratische verhoudingen te komen. Want als het Westen bij zulke omwentelingen niet aan de 'goede' kant komt te staan, is het praktisch zeker dat anti-westerse krachten met de revolutie aan de haal gaan. Die kans is sowieso groot, omdat het Westen regiems als dat van Mubarak decennialang heeft gesteund. Toch lijkt mij een democratisering van de moslimwereld (die in goede of in kwade vorm onafwendbaar is) de enige manier om antistoffen tegen de moslimterreur te ontwikkelen, want die moeten uiteindelijk toch uit de regio zelf komen. Zie mijn column in
HP/De Tijd van deze week.
Vooral in Israël, dat er bovenop zit, bestaat daar natuurlijk grote beduchtheid voor, want waar wij in West-Europa op een afstand zitten en 'democratische experimenten' noodzakelijk kunnen vinden, ondervindt Israël onmiddellijk de repercussies als het fout loopt (wat inhererent aan experimenten is). Dan wordt verteld dat het 'naïef' is om op democratie in de moslimwereld te vertrouwen (de islam zou zoiets niet toestaan), en wordt weer trots geroepen dat 'Israël als enige democratie in het Midden-Oosten' de exclusieve steun van het Westen verdient. Dat laatste is vrees ik niet vol te houden. Het Westen benadrukt het universele karakter van vrijheid en democratie en Israël komt in een nog groter isolement als daarvoor in de moslimwereld een halt wordt gemaakt. Daarom is het belangrijk dat er in Israël ook andere geluiden klinken dan de zorgen van het moment, zoals die van Nathan Sharansky, de voormalige Sovjetdissident die in 1986 dankzij inspanningen van president Reagan naar het Westen kon komen en die met zijn denkbeelden over het ondersteunen van democratische bewegingen in totalitaire landen George W. Bush heeft geïnspireerd. Bush had het boek van Sharansky op zijn nachtkastje liggen. Met deze voormalige Sovjetburger staat een interview in de
Wall Street Journal over de kansen op democratie in Egypte na de val van Mubarak. Sharansky is voorzichtig hoopvol, en zegt dat de Moslimbroederschappen in Egypte op dit moment nog niet zo sterk zijn als Hamas in Gaza, toen daar in 2006 verkiezingen werden gehouden. Maar westerse ondersteuning in dit hele proces is wel cruciaal.
Uiteraard zijn de omwentelingen in Oost-Europa voor Sharansky en de Amerikaanse neoconservatieven hun finest hour. President Reagan geldt als groot voorbeeld. Hij bemoedigde de Oost-Europese burgerrechtbewegingen met oproepen als "Mister Gorbachev, tear down this wall!" Maar Reagan had het ook makkelijk. Nadat de oude Sovjetleiders waren gestorven, kreeg hij met Gorbatsjov te maken, die een frisse wind liet waaien en een einde wilde maken aan de Koude Oorlog. In Egypte is Mubarak de 82-jarige, en dat is nu geen Brezjnev, maar een steunpilaar van een verrotte orde die jarenlang heeft ingestaan voor een koude vrede met Israël. Barack Obama heeft het hier dus vele malen moeilijker om de goede houding te bepalen, want op de achtergrond loert het trauma Iran (dat Jimmy Carter zijn presidentschap kostte en Reagan aan de macht bracht). Bedenk ook dat de uiteindelijke ontmanteling van het Oostblok, het echte gevaarlijke werk waarbij van alles verkeerd had kunnen gaan, werd begeleid door het diplomatieke en weinig tot de (rechtse) verbeelding sprekende optreden van vader Bush, die juist niet naar Berlijn afreisde om daar 'de overwinning' uit te roepen (Reagan had dat misschien wel gedaan) en zich door 'realpolitieke' overwegingen liet leiden. In zijn entourage zaten overigens ook al mensen als Condoleezza Rice, een briljante Sovjetologe die de Duitse eenwording perfect heeft ondersteund, en mannen als Dick Cheney en Paul Wolfowitz. Vooral de laatste geldt als de neocon die de Amerikaanse macht veel actiever wenste te gebruiken als een kracht in dienst van wereldwijde democratische verandering - wat ook de inval in Irak moest legitimeren en door wereldwijze (hier vooral linkse) critici als 'naïef' is neergesabeld.
Eerlijk gezegd denk ik dat het Westen er bij alles wat in het Midden-Oosten gebeurt steeds slecht zal uitzien, omdat het zo makkelijk is het Westen in zo'n verraderlijke omgeving in diskrediet te brengen. Zie Irak. Dat gaan we ongetwijfeld in Egypte ook weer zien. En ongetwijfeld staan er ook in het Westen zelf van links tot rechts weer allerlei critici paraat die de zittende president - in dit geval Obama - gaan voorhouden dat hij het helemaal verkeerd doet en de zaken alleen maar erger maakt. Dat lijkt me erg dom. Obama verdient het voordeel van de twijfel, omdat hij op dit moment in het Witte Huis zit en de Amerikaanse president op zulke historische momenten het beste is wat het Westen te bieden heeft. Later zullen we wel zien of hij dat ook heeft waargemaakt. Dat Obama af en toe zigzagt (net als Reagan en vader Bush in hun tijd) komt doordat de geschiedenis die op dit moment in het Midden-Oosten wordt geschreven dat ook doet.