Eurobedrog Deel II: de euro kost u jaarlijks ruim vierduizend euro!

Eergisteren verscheen deel I van het Eurobedrog door de Nederlandse regering Kok. Vandaag volgt deel II, waarin zal worden aangetoond dat met name de Nederlandse burger en middenstander door de socialist Kok en de ‘liberaal’ Zalm keihard in het pak zijn genaaid met de omwisseling van de gulden naar de euro. Waar kennen we die politieke combinatie ook alweer van?

Door de economische en monetaire gang van zaken vanaf 1982 raakte de gulden ten opzichte van de overige Europese valuta in toenemende mate ondergewaardeerd. Maar de Nederlandse economie was in de loop van de jaren negentig dankzij diverse kabinetten Lubbers, daarbij geholpen door een mondiale opleving van de economie, geheel hersteld. Sterker nog, in 1997 dreigde onze economie ‘oververhit’ te raken. De enig juiste economische remedie zou toen natuurlijk moeten zijn geweest: een revaluatie van de Nederlandse gulden.

Al in het begin van 1997 werd Nederland daarvoor uitdrukkelijk gewaarschuwd, onder meer door het Internationaal Monetaire Fonds (IMF) en DNB. IMF en DNB konden daarbij vanzelfsprekend niet zeggen dat de reden van de op ons afkomende oververhitting de véél te goedkope gulden was, want dan zouden de financiële markten direct op hol zijn geslagen en zou er in Nederland grote maatschappelijke druk zijn ontstaan voor een revaluatie van de gulden. En dat was niet de bedoeling, want de revaluatie is door de politiek geblokkeerd, zoals hierna zal blijken.

In de aanloop naar de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de voorbereidingen van de introductie van de euro in 1998, was het rente instrument van DNB immers al volledig afgestemd op de Economische en Monetaire Unie (EMU, juli 1998). En dit rente instrument werd vanaf juli 1998 tot en met het jaar 2000 voor Nederland ook nog eens averechts ingezet. Een krapper begrotingsbeleid van de Nederlandse regering vanaf 1999 zou – gelet op de grote monetaire onevenwichtigheid van de gulden ten opzichte van de andere munten die tot de euro toetraden – slechts een druppel op de spreekwoordelijke gloeiende economische plaat hebben betekend en was bovendien na circa 20 jaar loonmatiging en bezuinigingen ‘politiek’ en ‘sociaal’ ook niet meer te verkopen. Néé, het énige logische instrument was een revaluatie van de gulden.

Als de gulden niet gerevalueerd zou worden, dan zou de Nederlandse economie oververhit raken met ‘import van buitenlandse inflatie’ en met – in vergelijking met de andere Europese landen – doorschietende evenwichts herstellende prijsstijgingen en een bovenmatige loonontwikkeling (die dan later weer ongedaan gemaakt zou moeten worden). Hierdoor zou onze toenmalige ‘uit het lood geslagen’ concurrentiepositie weliswaar beter in evenwicht komen maar onze koopkracht zou daardoor nog verder worden aangetast. En dat alles hebben we in Nederland in de jaren vanaf 1999-2006 helaas dan ook gezien. Dit zelfde dreigt nu ook te gebeuren in Duitsland, als gevolg van de voor Duitsland veel te goedkope euro, maar dat terzijde.

De vraag is natuurlijk waarom de gulden in 1997/1998 niet werd gerevalueerd, terwijl daar toch dringende en urgente economische noodzaak voor was? Dat zat zo.

Nout Wellink heeft later ooit eens gezegd dat Duitsland een revaluatie van de gulden als ‘gezichtsverlies’ van hun heilige D-mark zou hebben ervaren. Immers, dat zou als teken van zwakte van Duitsland uitgelegd hebben kunnen worden, dat toen net druk bezig was om miljarden te pompen in voormalig Oost-Duitsland. En dat eenwordingsproject mocht natuurlijk niet in gevaar komen. Volgens Wellink was voor Nederland het doorzetten van de oprichting van de EMU met een gemeenschappelijke euromunt van groter belang dan de juiste omwisselkoers van de gulden. Iemand met zijn expertise zal de desastreuze gevolgen van de foutieve euro conversiekoers van de gulden natuurlijk vooraf wel hebben overzien, maar hij durfde kennelijk niet de confrontatie aan te gaan met de politiek en wellicht speelde er ook een persoonlijk belang. Hij zou immers Duisenberg opvolgen als president van DNB.

En omdat de euro-omwisselkoersen in 1998 formeel (bij unanimiteit!) door de Europese Raad -op voorstel van de Europese Commissie ná ingewonnen advies van de ECB- zijn vastgesteld, zijn dus de EU en de ECB ‘juridisch-formeel’ verantwoordelijk voor de aanzienlijke welvaartschade, die aan de Nederlanders is toegebracht. Maar ‘feitelijk-moreel’ verantwoordelijk zijn en blijven de toenmalige Nederlandse regering (Kok, PvdA) en DNB (Duisenberg, PvdA).

Nederland had dus feitelijk een vetorecht wat betreft de onjuiste vaststelling van de euroconversiekoers van de gulden, maar heeft daar om politieke redenen geen gebruik van gemaakt. Kok en Duisenberg hadden klaarblijkelijk andere belangen dan het Nederlandse landsbelang! Welke belangen waren dat dan?

Kok als de onvolprezen pleitbezorger van de Europese Unie en de EMU, wilde de euro niet al bij voorbaat laten stranden. Dat zou hem op fors gezichtsverlies komen te staan bij diens Brusselse vrinden. En Duisenberg zou eeuwige roem kunnen vergaren, als eerste president van de ECB. De socialisten Kok en Duisenberg dienden daarbij natuurlijk vooral het PvdA-prestige, dus het eigen partijbelang.

Voor het afzien van de revaluatie van de gulden werd Duisenberg dus ‘beloond’ met diens benoeming tot eerste president van de ECB. Maar dit was een ‘doekje voor het bloeden’, want als representant van ‘de Duitse School’ diende Duisenberg juist perfect het Duitse belang. Nederland heeft dus voor noppes de broodnodige revaluatie van de gulden prijsgegeven.

En Zalm en Wellink dan?

Zalm is natuurlijk een goede boekhouder maar vond de belangen van het (Nederlandse) multinationale bedrijfsleven kennelijk belangrijker dan het landsbelang. Hij schroomde er zelfs niet voor om begin 1998 (aan de vooravond van de vaststelling van de euroconversiekoersen) in de Tweede Kamer zonder blikken of blozen te verkondigen dat de gulden juist was geprijsd en niet was ondergewaardeerd. Deze leugen heeft Zalm in 2005 in de Tweede Kamer nogmaals herhaald, gelijk zijn opvolger Bos in 2007, al liet hij later via zijn woordvoerder weten, dat je als Minister van Financiën mag liegen om de rust op de financiële markten te bewaren. En de Tweede Kamer? Zij slikte de leugens en sliep rustig verder…..

En in 1997-1998 hield Wellink ook vanzelfsprekend zijn mond, want het vertrek van Duisenberg naar Frankfurt maakte voor hem de weg vrij …..naar het DNB-presidentschap.

En zo geschiedde het dus allemaal…, met de voor Nederland mega schade tot gevolg.

Eerste punt van aandacht hierbij is, dat de EMU volgens de letter een ‘economische’ en monetaire unie was en (nog) géén ‘politieke’ en monetaire unie. Een tweede punt van aandacht is, dat de advisering door de ECB van de euro omwisselkoersen in beslotenheid (dus búiten iedere openbaarheid en zónder transparantie en publieke controle) heeft plaatsgevonden.

Ten eerste kan geconcludeerd worden dat het niet-revalueren van de gulden in 1998 de Nederlandse inkomens in de relevante periode vanaf 1999 -2006 circa 7,5% aan koopkracht heeft gekost ten opzichte van referentieland Oostenrijk en circa 7,8% ten opzichte van de eurozone. Als gevolg van het in 1998 niét revalueren van de gulden stegen, als gevolg van import van inflatie in de jaren van oververhitting van de Nederlandse economie, in de jaren 1999 tot en met 2001 niet alleen de consumentenprijzen, maar ook de producentenprijzen in Nederland bovenmatig ten opzichte van referentieland Oostenrijk en ten opzichte van de eurozone als geheel.

Ten tweede kan geconcludeerd worden dat door het niet-revalueren van de gulden in 1998 ook onze concurrentiepositie uiteindelijk ernstig is aangetast, zónder dat daar ook maar iets positiefs tegenover is komen te staan. Het in 1998 niét revalueren van de gulden resulteerde overigens in een in 1999 en 2000 kortstondige bovenmatige economische bloei en vanaf 2001 tot en met 2005 in een sterk ondermaatse economische groei in Nederland in vergelijking met de eurozone (Bron: EuroStat).

En door de vanaf 2004 (Balkenende II en verder) doorgevoerde loonmatiging in Nederland, is het economisch herstel overigens volledig ten goede gekomen aan de winsten van de bedrijven en de toch al bijzonder gunstige werkgelegenheid en dus geheel niét aan de bruto-koopkracht van de burgers. Integendeel, de Nederlandse burgers zijn vanaf pakweg 2004 uitsluitend en op veel terreinen juist met binnenlandse lastenverzwaring en prijsstijgingen geconfronteerd, waardoor de netto-koopkracht van de burgers nog verder is aangetast.

De koopkracht van de Nederlandse burgers is dus inmiddels al ruim 30 jaar het kind van de rekening. Ten eerste door het Akkoord van Wassenaar in 1982, ten tweede door de grote moedwillige economische blunder van het niet revalueren van de gulden in 1998, en tenslotte ook door ‘eerst het zuur, dan het zoet’ van de kabinetten Balkenende.

Wat betreft de netto-koopkracht (= het netto te besteden bedrag ná belastingen) bungelde de Nederlandse burger daarom per eind 2007 onderaan in de koopkrachtranglijst van de landen die in 1998 samen Nederland de euro hebben ingevoerd, nét boven Spanje en Portugal. Het kan verkeren! (Bron: Gfk GeoMarketing).

De vraag is nu natuurlijk: Wat zou er in Nederland ‘economisch’ gebeurd zijn als de gulden in 1998 wél met 13% was gerevalueerd?

De spanning van de onevenwichtigheid van de véél te goedkope gulden tussen Nederland en het buitenland zou dan direct zijn verdwenen. De genoemde evenwichtsherstellende reacties (import van inflatie), uitmondende in werkelijk bovenmatige prijsstijgingen, zowel in de consumenten als in de producentenprijzen tussen 1999 en 2005 in Nederland (ten opzichte van de rest van de eurozone), zouden dan vanzelfsprekend niet zijn opgetreden.

Gevolgen voor de arbeidsmarkt.

Als een revaluatie van de gulden in 1998 was doorgevoerd zou de werkloosheid in Nederland vanaf 1999 eerder zijn afgenomen dan toegenomen in vergelijking met de werkelijkheid. Ook de forse koopkrachtverbetering van de burgers vanaf 1998 én de lagere inflatie in Nederland in de jaren 1999 tot en met 2003, als gevolg van gematigder loonontwikkeling in die jaren zijn voor de hand liggende additionele redenen om te veronderstellen dat de loonontwikkeling in de jaren 1999 tot en met 2003 alsdan gematigder zou zijn geweest.

En ten tweede kunnen we concluderen dat door deze gematigder loonontwikkeling in Nederland vergeleken met de eurozone, de concurrentiepositie en de export van Nederland op termijn weer (deels) zou zijn hersteld, de gehele reële economie en werkgelegenheid zou zijn gegroeid en de inflatie lager zou zijn geweest dan de inflatie in de eurozone.

Nederland zou dan verder, gelet op de aanzienlijk sterkere economische uitgangspositie in 2004, vanaf 2005 een aanzienlijke hogere loon- en koopkracht ontwikkeling van de burgers hebben gekend met als gevolg een sterkere reële groei van het BBP dan werkelijk het geval is geweest. Voor een (gemiddeld) werknemers inkomen van € 35.000 bruto hebben we het dan over een jaarlijks terugkerend conversieverlies van ca. € 4.200 per werknemer. Voor een modaal werknemer zien we over de jaren 1999 tot en met 2012 dan een gecumuleerd conversieverlies van ruim € 46.000, dat is in 14 jaar tijd bijna anderhalf jaarsalaris!

Het conversieverlies voor het Nederlandse BBP bedraagt voor de periode 1999 t/m 2008 : ca. € 340 miljard. Het structureel jaarlijks verlies bedraagt voor het Nederlandse BBP vanaf 2004 en verder circa 8,1% ofwel ongeveer € 47 miljard per jaar. Zie voor de cijfermatige onderbouwing hiervan het rapport ‘Analyse en Schadeberekening‘ van de Stichting.

Ook in de vermogenssfeer heeft de lage conversiekoers verliezen opgeleverd. Voor de Private huishoudens, eenmalig vermogensverlies van circa ca € 62,3 miljard (13% van de € 479 miljard aan huizenbezit). Voor de bedrijven pakte de conversie daarentegen aanvankelijk (maar wel heel kort) wel goed uit: een winst van € 30,3 miljard euro. Ook voor de overheid was er heel even winst: € 27,3 miljard euro. Maar al vanaf medio 2001 werden ook de bedrijven en overheid met een structureel ‘wisselverlies’ geconfronteerd, hetgeen enkele jaren later tot bezuinigingen en lastenverzwaringen noopte.

Per saldo betreft het initiële conversieverlies in 1998 voor Nederland (huishoudens,bedrijven en overheid) derhalve ca. € 4,7 miljard. (= 62,3 -/- (30,3 +/+ 27,3)). En het zijn dus weer met name de burgers die met € 62,3 miljard de rekening hebben betaald!

Maar ook hiermee zijn we er nog niet. Op basis van de werkelijke investeringen in vaste activa van de Nederlandse bedrijven, burgers en overheid vanaf 1999 tot en met 2008 (Bron: CBS), bedraagt het conversieverlies voor álle Nederlanders, met correctie prijsniveau, in totaal ca. € 96,2 miljard. Dus het totale verlies in de vermogenssfeer per 1 januari 2009 bedroeg circa € 100,9 miljard (= 96,2 +/+ 4,7). En tot slot, ook het verlies in de vermogenssfeer is structureel van aard en betreft vanaf 2004 ca. 2,1% van het BBP.

Samenvattend bedroeg het Conversieverlies voor Nederland per 1 januari 2009 dus ca. € 441,5 miljard, waarbij het Conversieverlies tevens structureel van aard is en jaarlijks oploopt met ca. 10,2% van het Nederlandse BBP. Om een idee te geven, dat komt overeen met een bedrag van ruim 60 miljard euro per jaar. Elk jaar opnieuw. Per 1 januari 2013 bedraagt het conversie verlies dus bijna 700 miljard en de teller loopt nog op.

En dan nog wat: de gerapporteerde inflatie. De gehanteerde officiële inflatiecijfers kloppen niet! Voor een onderbouwing daarvan verwijs ik naar het genoemde rapport, pagina 40 – 43.

Het CBS wil ons doen geloven dat vanaf 1999 tot en met 2008 de dagelijkse boodschappen slechts 17,1% duurder zouden zijn geworden, terwijl iedereen weet dat we inmiddels voor dezelfde boodschappen een bedrag in euro’s betalen min of meer gelijk als tien jaar geleden in guldens. Dus een prijsstijging van de dagelijkse boodschappen van om en nabij de 100% ligt dus meer voor de hand dan de door het CBS genoemde 17%.

Overigens is Eurostat (en ook het CBS) in augustus 2012 overgegaan op een andere meetmethode (die ongetwijfeld gunstiger uitpakt voor de eurocraten) ZONDER erbij te vertellen wat ze hebben veranderd en ZONDER dat een vergelijking vanuit de ‘oude’ methode mogelijk is. Met andere woorden, we kunnen de oude en nieuwe meetmethoden niet meer vergelijken. Zo wordt critici dus de wind uit de zeilen genomen. In gewoon Nederlands heet dat volksverlakkerij.

Conclusies:

1. de conversie van de gulden naar de euro was (aanvankelijk) heel even gunstig voor overheid en bedrijfsleven, maar zeer ongunstig voor de burgers en spaarders.

2. de EU heeft ,hoe je het ook wendt of keert, door de euro-omwisselkoers van de gulden in 1998 onjuist vast te stellen, aantoonbaar in strijd gehandeld met de EU-Verdragsnorm van ‘houdbare prijsstabiliteit’ en heeft zij Nederland en de Nederlanders gewoonweg bestolen. Met dank aan Kok, Duisenberg, Zalm en Wellink.

3. het CBS, de regering en DNB presenteren niet-representatieve/onjuiste inflatiecijfers.

4. de Nederlandse burgers zijn zeker niet gek en weten exact wat er in de jaren vanaf 1999 is gebeurd met de prijzen en de koopkracht.

5. de politiek kiest voor eigen persoonlijke belangen op de korte termijn en niet voor het landsbelang van Nederland, haar burgers en bedrijven.

Wordt het zo langzamerhand geen tijd voor een parlementaire enquete in de Wisselverlieszaak?

Abonneer je gratis en voor niets op het Telegram-kanaal van De Dagelijkse Standaard, en like onze spiksplinternieuwe Facebook-pagina!
In dit artikel

Wie op onze website reageert, gaat akkoord met ons huisreglement.

Reacties

e-mail:

 
Ja, ik ga ermee akkoord dat Dagelijkse Standaard mij incidenteel commerciële emails stuurt.