Hans Joachim Schellnhuber: ‘Het is nog erger dan we dachten.’

Foto:

Volledig losgezongen van de werkelijkheid.

Professor Hans Joachim Schellnhuber sprak onlangs op de zogenoemde ‘Stakeholders Conference on the 2015 Agreement, Shaping International Climate Policy Beyond 2020′. De bedoeling van dit soort conferenties om ideeën uit te wisselen over de vraag hoe het Kyoto-protocol, dat thans in een zombie-toestand verkeert, weer nieuw leven kan worden ingeblazen. Het is onderdeel van een klimaatritueel dat zich nu al decennia voortsleept, maar nauwelijks resultaat heeft afgeworpen.

‘Stakeholders’ zijn in dit geval in overgrote meerderheid wetenschappers, ambtenaren en vertegenwoordigers van NGO’s, die uit de staatsruif worden gefinancierd en hun brood verdienen met het in stand houden van de klimaathype. De opstelling van de conferentieagenda en keuze van de sprekers is in het algemeen zodanig dat dissidente geluiden de consensus onder de deelnemers niet kunnen verstoren. Op deze manier kan men ervan zijn verzekerd dat dit soort exercities niet anders dan een bevestiging van het eigen gelijk zullen opleveren. Het is groepsdenken in actie!

Hans Joachim Schellnhuber is directeur van het ‘Potsdam Institut für Klimafolgenforschung’ (PIK) de oerbron van het klimaatalarmisme in Duitsland en vele andere landen. Het PIK was bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het Wereldbankrapport, waarin een apocalyptische toekomstbeeld werd geschetst als de mensheid niet de uitstoot van CO2 door het verstoken van fossiele brandstoffen drastisch zou beperken. Als je bij het PIK zo’n rapport bestelt, dan weet je wat je krijgt: hel en verdoemenis! Volgens Schellnhuber is het rapport op internet miljoenen keren gedownload.

Schellnhuber, die ook nauw betrokken is bij de opstelling van het komende rapport van het VN– Klimaatpanel (IPCC), gaf een voorproefje van de verschrikkingen die ons bij de publicatie ervan weer te wachten staan. Zijn presentatie werd, zoals dat in IPCC-kringen gebruikelijk is, weer gekenmerkt door ‘cherry picking’ (selectief grasduinen in de wetenschappelijke literatuur), ‘spin doctoring’ (een misleidende draai geven aan informatie) en ‘scaremongering’ (paniekzaaien). Het was dus weer het bekende propagandadeuntje en alles behalve wetenschap.

Verrassend was dat Schellnhuber vertelde dat de opwarming nog wel eens tien jaar zou kunnen uitblijven. Maar daar stond tegenover dat die in 2200 wel tot 8 [!] graden Celsius zou kunnen zijn opgelopen. En zo gaat het nu altijd met onheilsprofeten. Als hun voorspellingen niet uitkomen, schuiven zij die simpelweg naar de toekomst. En liefst zó ver, dat zij daarvoor niet meer ter verantwoording kunnen worden geroepen.

Als de bewering van Schellnhuber dat de opwarmings’pauze’ nog wel tien jaar kan duren werkelijkheid zal worden, dan zou dat met de afgelopen pauze op zo’n 25 jaar uitkomen. Geen enkele klimaatmodel heeft dat voorspeld!

Schellnhuber beweerde dat berichten in de media dat er geen consensus zou zijn onjuist zijn en alleen maar bedoeld om verwarring te zaaien. Dat argument hebben we gedurende decennia van de aanhangers van de menselijke broeikashypothese (AGW = ‘Anthropogenic Global Warming’) gehoord als onderdeel van hun streven naar monopolisering van de klimaatwetenschap. Maar het moet iedere oplettende waarnemer toch wel duidelijk zijn dat de beruchte consensus – zo die al ooit heeft bestaan, hetgeen niet het geval is – thans uit elkaar valt doordat verschillende prominente AGWers het zinkende schip inmiddels hebben verlaten. Dat is in een aantal internationale kwaliteitsmedia niet onopgemerkt gebleven. (Nederland loopt terzake overigens nog achter.)

Schellnhuber stelt dat er geen verschil van mening is over het feit dat CO2 warmte afvangt. Dat is onjuist. Sommige wetenschappers ontkennen dit. Maar de meeste klimaatsceptici erkennen inderdaad dat dit tot op zekere hoogte het geval is. Zij zijn echter van oordeel dat dat effect zeer beperkt is. Maar om de hype in stand te houden schenkt Schellnhuber alleen maar aandacht aan studies die op aanzienlijke opwarming wijzen. Hij negeert de studies die tot de conclusie komen dat de klimaatgevoeligheid (het temperatuureffect van een verdubbeling van de CO2–concentratie in de atmosfeer) onbeduidend is.

Schellnhuber gaf (met enige moeite) toe dat de opwarming is opgehouden. Hij schrijft dat toe aan een een opslag van warmte in de diepere lagen van de oceanen. Het probleem is dat het mechanisme daarvan onbekend is en dat de metingen daarvan spaarzaam en onbetrouwbaar zijn. Dit belangrijke onderdeel van de natuurlijke variabiliteit is niet in de klimaatmodellen verwerkt. Hoe kunnen zij dan betrouwbare prognoses opleveren? Bovendien, als dit onbekende mechanisme nu voor afkoeling zorgt, zou men zich kunnen afvragen waarom het in de voorafgaande periode niet verantwoordelijk zou kunnen zijn geweest voor de opwarming.

Om de uitzonderlijkheid van de temperatuurstijging gedurende de afgelopen anderhalve eeuw te illustreren, verwees Schellnhuber naar een recente studie van Marcott et al. Hij vertelde er echter niet bij dat de zogenoemde ‘spike’ (snelle stijging) aan het einde van de 20ste eeuw in een laat stadium aan een eerdere versie van de grafiek, die niet een dergelijke snelle stijging liet zien, werd geplakt. Bovendien negeerde hij het feit dat de auteur na publicatie expliciet en publiekelijk heeft erkend dat de data voor de 20ste eeuw niet robuust waren.

Schellnhuber trachtte voorts ‘The Economist’ belachelijk te maken, die het onlangs heeft gewaagd een kritisch artikel te publiceren over het klimaatalarmisme:

Schellnhuber:

By the way, there has been a lot of talk … the eminent leading climate scientist who sits on the editorial board at the Economist … that was a joke, you may laugh … ha ha, have actually said that climate sensitivity is smaller than we thought.

Hoe haalt ‘The Economist’ het ook in zijn hoofd om vraagtekens te zetten bij de opvattingen van gezaghebbende wetenschappers als Schellnhuber? Zou Schellnhuber ècht niet weten dat journalisten van ‘The Economist’ grondig onderzoek doen en vele deskundigen bevragen voordat zij een pen op papier zetten? Maar ja, kennelijk hebben ze niets aan hem gevraagd. Misschien omdat ze het antwoord al konden bevroeden?

Voorts toverde Schellnhuber een aantal model–gegenereerde catastrofale toekomstscenario’s met een hoog Alice–in–Wonderland–gehalte uit zijn hoge hoed. Er zou een temperatuurstijging tot 8 graden C rond 2200 kunnen optreden, de ijskap van Groenland zou kunnen afsmelten, zo ook het Antarctisch schiereiland, de oceanen zouden verzuren met de vernietiging van koraalriffen als gevolg, er zouden ‘tipping points’ (kantelpunten) kunnen ontstaan bij het afsmelten van de ijskap van Groenland, en die van het Antarctisch schiereiland. Ook het tropisch regenwoud zou kunnen verdwijnen.

Wie zal het zwaarst hebben te lijden onder de opwarming van de aarde? Volgens Schellnhuber zullen dat de ontwikkelingslanden zijn. De zeespiegelstijging zal in de tropen sterker zijn dan in de koelere gebieden. Dat geldt ook voor de frequentie van extreme hittegolven, met negatieve gevolgen voor de landbouw aldaar. India zal worden geconfronteerd met een vermindering van de monsoon regenval. In het Noorden zullen er grotere weersextremen optreden als gevolg van een verandering van de jetstream. Dit zal plaatselijk gepaard gaan met fikse overstromingen.

Zoals ik al eerder heb betoogd, zijn de klimaatmodellen (nog?) niet zodanig ontwikkeld dat zij voorspellende waarde hebben. Dit alles is derhalve pure speculatie en paniekzaaierij.

Schellnhuber verwees naar het door het PIK geschreven Wereldbank rapport over de ‘trade-off’ tussen ontwikkeling en klimaatbescherming (ja, in Duitsland spreken ze van klimaatbescherming). Daarbij kwam hij tot raadselachtige, zo niet potsierlijke uitspraken. ‘The only way to warrant development in the South is through climate’. En: ‘Equity is the ultimate issue of global warming’.

Wellicht dat de aandacht die hij de afgelopen jaren van de groten der aarde en de media heeft gekregen (de laatste tijd is het overigens wat minder) hem naar het hoofd is gestegen en hem hebben doen geloven dat hij ook iets zinnigs had bij te dragen aan de oplossing van het ontwikkelingsvraagstuk. Maar dat blijkt toch niet het geval te zijn. Daaruit kan worden afgeleid dat het bewustzijn van zijn eigen beperkingen niet de sterkste kant is van onze Duitse klimaatpaus.

Ten slotte kondigde Schellnhuber aan dat het belangrijkste nieuwe element in het komende IPCC– rapport de berekening van de kosten en baten van het klimaatbeleid is, zoals dat eerder door Stern et al is gedaan. Volgens een nog niet gepubliceerd artikel/rapport, waaruit Schellnhuber een grafiek toonde, zouden de kosten van het bereiken van de 2 graden doelstelling (d.w.z. de opwarming beperkt houden tot maximaal 2 graden Celsius) slechts één procent van het BBP bedragen. Het Stern–rapport, dat tot een soortgelijke uitkomst kwam, is destijds afgekraakt door milieueconomen als ‘onze’ Richard Tol. Ik heb zelf ook al in een zeer vroeg stadium op de tekortkomingen daarvan gewezen. Zie hier.

Het zou mij verbazen als de weerlegging van het artikel/rapport meer dan enkele dagen zou vergen. De redenering is eenvoudig. Er is een sterke correlatie tussen energieverbruik (overwegend fossiel) en economische groei. Wil men de eerste sterk verminderen dan volgt daar een nagenoeg evenredige vermindering van de tweede uit.

Een mooie uitspraak van Schellnhuber was voorts ‘The science is complex but not controversial. It is compelling regarding action.’

Hij moet wel héél effectieve oogkleppen hebben om dit in alle ernst te willen beweren. Zie bijvoorbeeld het uitstekende rapport van Emil Røyrvik hier.

Maar waar maken we ons druk om? Het spel van Schellnhuber en consorten is uit. Kyoto krijgt niet het door hen gehoopte wereldwijde vervolg en het CO2–emissiehandelssyteem van de EU ligt op zijn gat. De Britse auteur James Delingpole, die de term ‘Climategate’ heeft gemunt, schreef daar onlangs over:

The EU has been the global laboratory testing the green agenda to see how it works. Today’s story [over de beslissing van het Europees Parlement om de uitgifte van nieuwe CO2–uitstootrechten niet naar de toekomst te verschuiven] means that the guinea pig died; the most important piece of green intervention in world history has become an expensive and embarrassing flop. It’s hard to exaggerate the importance of this for environmentalists everywhere; if the EU can’t make the green agenda work, it’s unlikely that anybody else will give it a try.

En zo is het kaartenhuis dan bijna volledig ingezakt. Maar helaas betekent dat niet het einde van de honderden miljarden die jaarlijks in het zwarte gat van het klimaatbeleid verdwijnen.

——

Voor deze ‘posting’ heb ik dankbaar gebruik gemaakt van het commentaar van de onvermoeibare Pierre Gosselin.

Voor de video van de presentatie van Schellnhuber zie hier. Hij is de eerste spreker na de voorzitter.

Voor mijn eerdere DDS-bijdragen, zie hier


Waardeer jij de artikelen op DagelijkseStandaard.nl? Volg ons dan op Twitter!

In dit artikel

Like nu onze nieuwe pagina voor nieuws en opinie!