Bilderdijk is het ook niet

Een soortgenoot van me? Nee, beslist niet. Zijn recente biografie amuseert me, maar stelt me ook teleur, zonder dat dit de schuld van de biografen is.

 

Hij was tegen revolutie, de Verlichting juichte hij niet toe, koningen moest men niet alle macht ontnemen, de mensen waren ongelijk, in de kunst moest het om de uitdrukking van het persoonlijke gevoel gaan en niet om het nut… en de mooiste van allemaal: hij brak (tijdelijk) met zijn vriend H.W. Tydeman toen deze het opnam voor de Griekse opstandelingen tegen de Ottomaanse overheersing! Reeds aanzienlijk minder – alleen al de verwerping van alle revolutie – zou me nieuwsgierig hebben gemaakt naar Willem Bilderdijk.

Ik las dus een beetje over hem op internet, ik ging op zoek naar boeken over hem, de brievenselectie van Marita Mathijsen in Privé-domein kende ik al, ik bestelde nog een oude selectie, maar het was me te weinig. Ik had een uitvoerige, hedendaagse biografie nodig en hoopte dat Marita Mathijsen die ging schrijven. En laat die biografie nu gekomen zijn! Alleen uit een andere hoek.

Meteen wierp ik me erop, ging dagelijks met Bilderdijk naar bed en liet zelfs het Drents kampioenschap driebanden aan me voorbijgaan om erachter te komen of ik in Bilderdijk een vriend kon vinden – toch maar iemand uit de interessantste periode van onzer cultuur: de tijd rond 1800. Mijn dagen stonden in het teken van Bilderdijk, deze geweldenaar , de Nederlandse Napoleon van de Nederlandse letteren. Nu ja, zoiets was mij beloofd, soms door anderen, maar ook een beetje door mezelf.

Teleurstelling

Het werd een grote teleurstelling. Wat een grenzenloze ouwehoer, deze Willem! Zijn tijdgenoten hadden veelal bezwaren tegen zijn ideeën – want geloof in revolutie en republiek was toen al de boodschap bij de intelligentsia – maar ze voegden er altijd aan toe dat hij als dichter niet overtroffen kon worden. Nu, ik ben in de hele biografie van 654 bladzijden, waar heel wat verzen worden geciteerd, maar één gedicht tegengekomen dat iets had, het bekende ‘Aan den Hollandschen wal’. Ja, ‘Holland groeit weêr! Holland bloeit weêr’ swingt ook wel lekker. Maar dat was het dan. De rest – misschien moeten we iets minder streng zijn – is toch amper te pruimen vanwege de bombast of de onbenulligheid. Typerend is dan ook dat Bilderdijk zelfs aan najaarsvliegen een poëem wijdde. Alles draaide om hemzelf en zijn bij tijden uiterst kleine leven en kleine zorgen. Een egocentrischer mens kom je niet gauw tegen. Terwijl zijn vrouw vele miskramen had gehad, bijna al haar kinderen had zien sterven en duidelijk een zwakke gezondheid had, maakte hij haar zelfs nog zwanger toen hij in de zeventig was. Hij dacht alleen maar aan zichzelf. En maar jammeren! De biografen verbergen dit onaangename aspect van hem beslist niet.

Nu heeft Bilderdijk wel wat meegemaakt. Vanwege zijn Oranjegezindheid werd hij in 1795 verbannen. De stadhouder Willem V achterna, moest hij reizen naar Hamburg, naar Londen en tenslotte naar Braunschweig, waar hij afhankelijk was van bescheiden toelagen en van werk als huisleraar. De reizen op zich waren ook verre van comfortabel, als we hem mogen geloven. Want zelfs als Bilderdijk met de trekschuit van Haarlem naar Amsterdam reisde, was dat meteen een beproeving van jewelste. Op een gegeven moment opende zich even de kans dat hij eindelijk een professoraat zou verkrijgen, al was het dan in Moskou – dat hij dan meteen omschreef als een oord waar hij ‘’t gegrom des fellen woudbeers’ zou horen. Op die manier krijg je natuurlijk wel drama in je leven! We zijn dan ook in de Romantiek.

Is daarmee alles verklaard? Godfried Bomans, wiens liefde voor de sentimentaliteit en pathos van de 19e eeuw ik enigszins deel, stelt maar eventjes dat Bilderdijk een ‘groot dichter’ was, maar ‘hij sprak in een te kleine kamer. Ook een in het Nederlands vertaalde opera klinkt onvermijdelijk ridicuul. Men kan zich in onze taal niet pathetisch uitdrukken.’ Kortom, ‘de gefnuikte arend’, zoals Jan en Annie Romein hem al omschreven in Erflaters van onze beschaving. Maar is dat, wat de taal aangaat, wel waar? Neem de grote tijdgenoten van Bilderdijk, zoals Goethe en Byron. Die matigden zich ook niet. Maar als ze vertaald worden, zijn ze allerminst ridicuul. Het ligt niet aan het Nederlands, het ligt aan Bilderdijk, echt een wat mal mannetje, hoor. Hoewel hem heel wat overkwam en het was niet altijd prettig, wordt het beeld dat we van hem hebben, toch wel erg bepaald door wat hij daar zelf over vertelde. De biografen geven dat trouwens grif toe. Bilderdijk schiep zijn mythe – en die mythe is leuk, maar in werkelijkheid kan Bilderdijk best eens een arrogant, miezerig, hebberig figuurtje geweest zijn. Een paar trouwe volgelingen zagen hem als Apollo in persoon, maar hoe werd Lou de Palingboer niet door zijn volgelingen gezien? Zeer velen moesten weinig van Bilderdijk hebben. Want zelfs als ze erin trapten bij hem en gingen geloven dat hij met geld geholpen moest worden, dan hoefden ze nog niet op dankbaarheid te rekenen.

Het was voor hem nooit goed – zoals opnieuw de biografen volmondig toegeven. Want als hij geld kreeg – en sommige jaargelden waren lang zo slecht niet – dan maakte hij zich weer boos dat hij daar niets tegenover mocht stellen. Hij wenste geen aalmoes, hij wilde een professoraat, zelfs waar hij ‘’t gegrom des fellen woudbeers’ zou horen. Maar reken maar dat hij met dat professoraat ook niet tevreden zou zijn geweest. En waar haalde hij de kak vandaan een professoraat te eisen. Ja, Willem V en later koning Lodewijk Napoleon en ook Napoleon zelf, aan wier voeten hij zich wierp, konden zo’n trouwe onderdaan wel gebruiken, maar had hij zulke goede papieren? Toegegeven, hij studeerde rechten en werd advocaat. Het was evenwel een studie van twee jaar en hij oefende het beroep ook maar dertien jaar uit, dus een rechtsgeleerde hoef je hem nu ook niet meteen te noemen. Maar hij pretendeerde nog heel wat meer: historicus, taalgeleerde, wat meende hij niet allemaal te zijn? In Londen hing hij ook nog de medicus uit. Doet hij u niet een beetje aan Harry Mulisch denken, dat universele genie dat nog nooit een universiteit van binnen had gezien?

Oranjeklant

Ik denk dat Bilderdijk bij nadere studie erg tegenvalt. Een trouwe Oranjeklant? Als hij daar nu echt zijn leven voor gegeven had, maar al bij de komst van Lodewijk Napoleon bezweek hij en ging aan de voeten van deze vorst liggen. Daarna bij Napoleon hetzelfde scenario, inclusief huldeverzen – na Napoleons nederlaag gevolgd door snerpende kritiek en hernieuwde toewijding aan Oranje. Dat hij de armoede langzamerhand beu was, kan ik me voorstellen, maar van veel karakter getuigt zijn gedrag toch niet. Zijn Oranjegezindheid heeft niet meer waarde, lijkt me, dan de vlaggetjes langs de route van de Gouden Koets. En dan zijn kwezelachtige geloof?

Ik hoopte iemand te vinden, die te intelligent was om zelf te geloven, maar nog wel het nut van het behoud van het christelijke geloof zag. Nu, hij werd geloviger met de dag, net als mijn buurvrouw die volgende week naar Lourdes vertrekt. Hij was er ook zeker van dat alle leed ons door God werd bezorgd om ons op de proef te stellen en dus ons te verwennen uiteindelijk. De buskruitramp in Leiden waarbij tegen de tweehonderd mensen omkwamen: een straf van God voor onze slechtheid. En als een calvinist van de ergste soort was hij tegen inenting. Steun aan slachtoffers van overstromingen was ook misplaatst: in het goddelijk bestel greep je niet in. Ja, wat was dit voor verschrikkelijke man? Multatuli en tot op zekere hoogte ook Busken Huet waren de eersten die Bilderdijk zagen zoals hij was, nadat hij al veel te lang geadoreerd was door onze letterkundigen. ‘Hoe is ’t in godsnaam mogelyk,’ schreef Multatuli, ‘dat die man met z’n walgelijke armoed van geest drie geslachten heeft kunnen foppen!’ Daarmee was het eigenlijk wel gezegd.

Om nog even op Bomans terug te komen: die ging op den duur helemaal raaskallen als hij over Bilderdijk sprak. Kwam het door de alcohol, die hem op het laatst ook zo’n parten speelde toen hij Marlene Dietrich moest inleiden? Bilderdijk zijn opium, Bomans zijn wijn. Alle onzin die Bilderdijk uitkraamde, zag hij als ‘gaten die de realiteit openliet’, waardoor hij een dijk schiep, een Bilderdijk… Dit doet werkelijk denken aan de ‘lullepot’ die corpsstudenten moeten houden.

Die opium vond Boudewijn Büch, echt een kind van de jaren ’60, natuurlijk machtig interessant. En hoewel hij zich uiteraard verontwaardigd meende te moeten opstellen tegenover het ‘aartsreactionaire’ van de dichter, wilde hij een studie maken van diens opiumgebruik. Mogelijk lag daar trouwens wel een gedeeltelijke verklaring voor de opwinding van Bilderdijk, al had Bomans van zijn kant weer geen ongelijk toen hij een oorzaak meende te zien in de afschuwelijke jeugd van de dichter. Nadat Bilderdijk op zijn vijfde op zijn voet was getrapt en er een levenslange verminking van overhield, moest hij zelfs tot zijn twintigste binnenblijven. Om gek te worden natuurlijk. En ook om erudiet te worden uiteraard, want hij las zich te pletter, daarbij gestuurd door een autoritaire, veeleisende vader. Curieus is dat Bilderdijk later precies hetzelfde met zijn zoon Lodewijk zou gaan uithalen, die hij op gelijkaardige wijze zou binnenhouden, zelfs zonder het excuus van een verminking. Maar dat schrijvers er een ramp van maken als ze hun kinderen zelf denken te moeten onderwijzen, is algemeen bekend.

Liefdesleven

Onder meer uit de paar zeldzame verslagen van buitenlanders die Bilderdijk bezochten, weten we hoe de man in werkelijkheid leefde. Gewoonlijk woonde hij ‘op stand’ en hij stierf niet toevallig in een mooi huis aan de Grote Markt van Haarlem, waar later het café Brinkmann gevestigd zou worden, waar dan weer de naar Bilderdijk genoemde en door Bomans en Van Deyssel opgerichte kunstenaarsvereniging Teisterbant bijeen zou komen. Hij liet het zich aan niets ontbreken en nodigde zijn gasten uit aan een welvoorziene dis, dezelfde dag nog aan zijn vrienden schrijvend dat het bij hem alleen maar kommer en kwel was. En het liefdesleven van Bilderdijk was ook niet onplezierig, vermoeden we. De bundel Mijn verlustiging, met erotische gedichten, maakt duidelijk dat Bilderdijk al in zijn studentenjaren aan zijn gerief kwam.

Daarop volgde de affaire met Catherina Rebecca Woesthoven, die zeven jaar jonger was dan hij en op wie hij veel indruk wist te maken, niet in de laatste plaats als dichter. Ze kwam Bilderdijk evident erg tegemoet en ze trouwden. Dat ze wat lastig was, lees je wel een beetje tussen de regels van deze biografie, al hebben de auteurs vermeden zich al te duidelijk uit te spreken en blindelings de informatie van Bilderdijk te volgen. Later, tijdens zijn ballingschap in Londen, ging Bilderdijk een meisje het hof maken dat twintig jaar jonger was dan hij en aan wie hij privéles gaf. Ondanks het verzet van de ouders, vrienden van hem, wist hij uiteindelijk zijn zin te krijgen, al bleef het bij vluchtige ontmoetingen. Maar eenmaal in Braunschweig regelde hij haar overkomst en ze zou zijn metgezel blijven tot haar dood, één jaar voor de zijne. Getrouwd met haar is hij nooit, ook niet nadat hij van zijn eerste vrouw gescheiden was, en al zijn verbolgenheid over de losbollige zeden van zijn tijd doen dat ook wat hypocriet aan. Ontroerend blijft echter haar oprechte verlangen naar haar, reeds in Londen, maar ook in Braunschweig, waar hij gedwongen was om op een dagmars afstand van haar te wonen en dan ’s nachts door weer, wind en onweer door de moerassen zwoegde om enkele uren met haar samen te kunnen zijn. Overdrijving? Kan best. ’t Gegrom des fellen woudbeer.

Maar wat een heerlijke mythe, dat leven van Bilderdijk! Ik begrijp niet dat geen Nederlandse regisseur verleid is daar een film over te maken. Niet de werkelijkheid, maar het geëxalteerde beeld dat Bilderdijk zelf van zijn leven gegeven heeft. Iets prachtigs! Wel met een pittige acteur à la Klaus Kinski of Gérard Depardieu uiteraard. En met veel van zijn boze en machteloze vocabulaire erin, waarschijnlijk uitgebracht met rondspattend speeksel. De volgelingen van de Verlichting omschreef hij als ‘slootgebroed’, uit ‘walgelijk kwijlkwabzaad gekropen’. Zelfs neologismen gingen hem niet af. Maar te lachen valt er wel en je begrijpt wat Van Deyssel, Bomans en Büch in hem zagen. Ook de biografen trouwens, die zich professioneel beheersen, maar toch heerlijk materiaal aanreiken.

 

Rick Honings & Peter van Zonneveld, De gefnuikte arend. Het leven van Willem Bilderdijk, Prometheus / Bert Bakker, 654 blz., € 49,95.

 

Abonneer je gratis en voor niets op het Telegram-kanaal van De Dagelijkse Standaard, en like onze spiksplinternieuwe Facebook-pagina!
In dit artikel

Wie op onze website reageert, gaat akkoord met ons huisreglement.

e-mail:

 
Ja, ik ga ermee akkoord dat Dagelijkse Standaard mij incidenteel commerciële emails stuurt.