Economen verkopen onzin: deflatie is helemaal geen probleem

inflatie
Foto: Uit: Geldmoord

Gisteren presenteerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de inflatiecijfers voor Nederland per 1 juli 2016. Voor het eerst sinds 1986 waren de inflatiecijfers negatief. De halve wereld schreeuwde moord en brand. Want deflatie zou slecht zijn voor de economie. Ons onvolprezen NOS journaal bestond het zelfs om te zeggen dat bij een gezonde economie stijgende prijzen horen.

Waarom vinden veel economen, die van de Europese Centrale Bank (ECB) voorop deflatie toch zo erg? Waarom streeft de ECB naar een jaarlijkse geldontwaarding – want dat is het – van dichtbij maar onder de twee procent per jaar? Is het niet veel logischer dat de centrale bank van de eurozone als beleid heeft dat uw kwartjes hun waarde blijven behouden? Is behoud of toename van uw koopkracht niet een veel betere maatstaf voor ‘een gezonde economie’? In dit artikel zal ik dit onderwerp nader toelichten.

Allereerst een enkel woord over de betekenis van de term ‘inflatie’. Inflatie betekent een stijging van het algemene prijspeil en wordt gemeten met behulp van het consumentenprijsindex (CPI). Dat is een gewogen gemiddelde prijsstijging van heel veel verschillende goederen en diensten. Tegenwoordig wordt voor verschillende groepen huishoudens een apart inflatiecijfer berekend, omdat niet iedereen hetzelfde pakket goederen koopt en dus ook niet in dezelfde mate last heeft van de verschillende prijsstijgingen. Iemand die geen auto heeft bijvoorbeeld, heeft ook geen nadeel van de gestegen benzineprijzen. En een geheelonthouder heeft geen last van gestegen alcohol en tabaksprijzen.

De stijging van het algemene prijspeil kan overigens meerdere oorzaken hebben en we spreken dan ook in economenjargon van meerdere soorten inflatie. Bijvoorbeeld ‘loonkosten inflatie’ of ‘bestedingsinflatie’ of ‘uit het buitenland geïmporteerde inflatie’. De gemeenschappelijke noemer van al deze vormen van inflatie is dat u minder kunt besteden. Uw netto koopkracht neemt af.

Nu hoor ik u vragen: maar waarom vinden veel economen dat een goede zaak? Het is toch juist prettig als we meer centjes in onze portemonnee overhouden? Dat de waarde van onze spaarpot in tact blijft, waaronder onze pensioenen. Logische en terechte vragen. Maar die ‘inflatie-economen’ redeneren anders. Zij stellen dat een (beperkte) geldontwaarding belangrijk is voor de groei van ons nationale inkomen, het Bruto Binnenlands Produkt (bbp). Dat vinden zij, omdat de groei van het bbp een indicator is van welvaartsgroei van een land.

Bovendien, zo voegen zij er aan toe, is negatieve inflatie (deflatie) slecht voor mensen, bedrijven en landen met hoge schulden. Als de prijzen dalen, wordt uw geld namelijk relatief meer waard. Maar als het geld meer waard wordt, betekent dat, dat schulden ook relatief meer waard worden. Inflatie is dus gunstig voor landen met hoge schulden, zoals Griekenland en andere Zuid-Europese landen.

Ook zeggen de ‘inflatie-economen’ dat inflatie een belangrijk mechanisme is voor bedrijven om hun loonkosten in de hand te houden. Als de inflatie namelijk hoger is dan de loonkostenstijging dan nemen de loonkosten in relatieve zin af, waardoor de winstgevendheid van die bedrijven toeneemt en dat is dan weer goed voor de economie, is de redenering.

En tenslotte vrezen de ‘inflatie-economen’ dat als de prijzen dalen (deflatie) dat  consumenten dan juist minder gaan kopen. Die zouden dan het kopen van goederen en diensten uitstellen omdat ze verwachten dat het over een tijdje nog goedkoper is om die producten en diensten aan te schaffen.

‘Deflatie-economen’ brengen hier tegenin dat consumenten aankopen van verreweg de meeste producten helemaal niet uitstellen omdat ze verwachten dat die nog goedkoper worden. Allereerst niet omdat veel producten – zoals dagelijkse levensmiddelen of de benzine in de tank – simpelweg geen uitstel dulden. Maar ook niet, omdat er geen peil op te trekken valt wanneer producten in de toekomst in prijs zullen stijgen of dalen.

Ook het ‘loonkosten-argument’ verwijzen ‘deflatie-economen’ naar de prullenbak. Tegenover de mogelijke winstdaling van bedrijven stellen zij het hogere besteedbare inkomen van de werknemers, waardoor er meer producten worden gekocht en de winst dus op peil blijft door een hogere omzet.

Dan het argument van stijgende schulden. Het is natuurlijk evident dat schulden niet ‘weggeïnflateerd’ zullen worden bij minder hard stijgende prijzen. Maar vergeten wordt dat deflatie doorgaans inhoudt dat de prijzen minder hard stijgen dan de vergelijkingsperiode daarvoor (bijvoorbeeld een maand of een jaar). Maar ze stijgen nog wel! Mooi voorbeeld is het CBS bericht van gisteren. Daarin werd gezegd dat de belangrijkste oorzaak van de dalende prijzen de lagere huurstijging was ten opzichte van een jaar geleden. Toen bedroeg de stijging namelijk 2,4 procent en dit jaar ‘slechts’ 1,8 procent. Maar stijgen deden ze, die huren. En huren wegen zwaar door in het gewogen gemiddelde inflatiecijfer, omdat mensen een relatief groot deel van hun inkomen er aan kwijt zijn.

Tenslotte het argument van de groei van het bbp. Het is zonneklaar dat deflatie niet meewerkt aan die groei. De vraag is echter of dat zo erg is. De vraag is bovendien of de groei van het bbp wel een juiste maatstaf is om welvaart te meten. Ik had vanochtend op twitter een discussie daarover met de CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen. Volgens hem is de groei van het bbp wel een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde om welvaartstoename te meten.

Vervolgens wees ik op de rol die het fenomeen internet speelt in de productiviteitsgroei. Veel informatie op het internet is gratis, maar die informatie heeft natuurlijk wel effecten op de productiviteit of iemands welbevinden. Maar hoe meet je dat? De vraag is opportuun of we er niet beter aan doen ons te realiseren dat (economische) groei op zichzelf geen heilstaat creëert.

Dat vindt ook de Amerikaanse econoom Robert J. Gordon in zijn werk The rise and fall of American growth. Hierin betoogt hij dat technologische innovaties lang niet meer zoveel invloed hebben op onze samenleving als in het verleden. Zo stelt hij bijvoorbeeld dat de uitvinding van de tractor belangrijker was dan die van de smartphone. Volgens Gordon is het een illusie om te verwachten dat de groeicijfers van de periode tussen pakweg 1870 en 1970 terugkomen. We zullen ons tevreden moeten stellen met structureel lagere groeicijfers, denkt ook Van Mulligen. En dat ben ik met hem eens.

Maar dat geldontwaarding een doel is dat nagestreefd moet worden om groei te creëren is een misvatting. Ik kan u in dat verband aanraden het boek Geldmoord van monetair econoom Edin Mujagic te lezen.

 


Waardeer jij de artikelen op DagelijkseStandaard.nl? Volg ons dan op Twitter!

In dit artikel

Wie op onze website reageert, gaat akkoord met ons huisreglement.

Reageer

2 reacties

  1.   

    Al die mogelijke invalshoeken die economen gebruiken bewijzen dat economie geen exacte wetenschap is. Omdat er zo weinig constanten zijn heeft elke econoom zijn eigen gelijk en de regering luistert naar degene die het handigste uitkomt. Ik vind deze artikel wat feiten betreft heel gezond in elkaar zitten.

  2.   

    Waar komt die grafiek vandaan? Het prijspeil (verticaal) moet op een logaritmische schaal, anders heb je er niks aan.

Like nu onze nieuwe pagina voor nieuws en opinie!