Wie in 2027 een dag extra gaat werken of een loonsverhoging krijgt, kan van elke extra euro meer dan 60 tot zelfs ruim 80 procent kwijtraken aan hogere inkomstenbelasting, lagere heffingskortingen en dalende
toeslagen. Vandaag, maandag 26 oktober 2026, behandelt de Tweede Kamer in het wetgevingsoverleg het wetsvoorstel Belastingplan 2027. Uit de
Nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat het totale toeslagenbudget is verviervoudigd van €5,4 miljard in 2006 naar verwachting €22,3 miljard in 2026, terwijl het aandeel werknemers met een marginale druk boven de 60 procent in het wetsvoorstel oploopt naar 16,8 procent.
In de schriftelijke voorbereiding op het debat van vandaag wijst PRO staatssecretaris Eelco Eerenberg van Financiën op een tegenstelling. Opeenvolgende kabinetten en bijna de voltallige Tweede Kamer hebben uitgesproken dat zij van het huidige toeslagenstelsel af willen, maar de afhankelijkheid groeit al twintig jaar door. D66, de SGP en JA21 vroegen daarnaast naar de marginale druk.
Bij de start van het toeslagenstelsel in 2006 ging er nog ongeveer €5,4 miljard om in de regelingen; in 2026 is dat bedrag naar verwachting opgelopen tot €22,3 miljard. Nominaal is de toeslagenpot met ruim 300 procent gegroeid, en na inflatiecorrectie met ongeveer 250 procent. Volgens Eerenberg kunnen talloze gezinnen de toeslagen niet missen, maar zorgt die afhankelijkheid ook voor onzekerheid en terugvorderingen.
Hoe groot het aandeel toeslagen in een inkomen is
Hoe zwaar de vier landelijke toeslagen meetellen, laat het ministerie zien met drie rekenvoorbeelden voor 2026 en 2027. Daarin gaat het kabinet telkens uit van een sociale huurwoning op de bovengrens van het passend toewijzen en 3,5 procent huurstijging in 2027. Wie een koopwoning heeft, een andere huur betaalt of geen kinderopvang afneemt, komt op andere bedragen uit.
In het eerste rekenvoorbeeld heeft een alleenstaande AOW'er zonder aanvullend pensioen (huur €713 per maand in 2026) in 2027 een netto AOW van €20.715 per jaar, tegen €20.045 in 2026. Daarbovenop ontvangt deze oudere in het voorbeeld €1.680 zorgtoeslag en €5.369 huurtoeslag, samen €7.049. Op een totaal jaarinkomen van €27.765 bestaat precies een kwart (25 procent) uit toeslagen.
Bij gezinnen met kinderen ligt dat aandeel in de voorbeelden nog hoger. Een werkende alleenstaande ouder met een modaal
inkomen (vier dagen werken, twee kinderen van 6 tot 11 jaar die vier dagen per week naar de buitenschoolse opvang gaan, huur €933 in 2026) heeft in 2027 €41.099 nettoloon en €2.979 kinderbijslag, maar ontvangt in het voorbeeld ook €7.592 kindgebonden budget, €3.341 huurtoeslag en €21.537 kinderopvangtoeslag. Samen is dat €32.470 op een totaal inkomen van €76.549, oftewel 42 procent. Bij een bijstandspaar met twee kinderen van 6 tot 11 jaar (huur €764 in 2026) bestaat het totale inkomen van €42.277 in 2027 naast €24.839 netto bijstand en €2.979 kinderbijslag voor €14.458 uit zorgtoeslag (€3.222), kindgebonden budget (€5.432) en huurtoeslag (€5.804): een aandeel van 34 procent.
Benieuwd welk deel van je eigen inkomen opgaat aan belasting en premies? Bereken het met de Tax Freedom Day-calculator van Box3Wacht, de rekensite van DDS. Ruim 1 op 6 werknemers levert meer dan 60% in
De keerzijde wordt zichtbaar zodra een werknemer meer uren werkt of salarisverhoging krijgt. Op vragen van JA21 berekende het kabinet hoeveel werknemers in 2027 een marginale druk hebben van meer dan 60, 70 of 80 procent: het deel van een extra verdiende euro dat direct verdwijnt aan hogere belasting, lagere heffingskortingen en lagere toeslagen.
Volgens de tabel loopt het aandeel werknemers met een marginale druk boven de 60 procent op van 16,6 procent in 2026 naar 16,8 procent in 2027. Ruim één op de zes werknemers houdt van honderd euro extra brutoloon dus minder dan veertig euro netto over. Bij 5,0 procent van de werknemers (tegen 4,8 procent in 2026) gaat er in 2027 meer dan 70 procent af, en bij 2,4 procent (tegen 2,3 procent in 2026) zelfs meer dan 80 procent.
Uitgesplitst naar huishoudtype raakt die druk boven de 60 procent vooral de meestverdienende partner bij tweeverdieners (8,5 procent van alle werknemers) en alleenstaande werknemers (6,5 procent). In de zwaarste groep met een afbouwdruk boven de 80 procent vormen alleenstaanden de grootste groep (2,0 procent van alle werknemers). Volgens Eerenberg zit de piek vooral tussen het minimumloon en een modaal inkomen, waar de afbouw van heffingskortingen en toeslagen samenvallen.
Waarom de druk in box 1 in 2027 verder oploopt
Dat de marginale druk in het wetsvoorstel stijgt, komt doordat meerdere tarieven en kortingen in de
Wet inkomstenbelasting 2001 tegelijk verschuiven. Inclusief de
Tweede nota van wijziging verhoogt het kabinet voor wie de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt de schijftarieven in box 1 (artikel 2.10 Wet IB 2001) naar
36,23 procent in de eerste schijf (tot €39.247, tegen 35,75 procent in 2026) en
38,16 procent in de tweede schijf (tot €80.578, tegen 37,56 procent in 2026). Boven €80.578 geldt het toptarief van
49,50 procent, nadat de eerder voorgestelde grens van €78.426 is verhoogd.
Tegelijk bouwt de algemene heffingskorting (artikel 8.10 Wet IB 2001, maximaal €3.154) tussen €30.910 en €80.578 af met 6,350 procent, en de arbeidskorting (artikel 8.11 Wet IB 2001, maximaal €5.889 na een verhoging van €133) vanaf €47.834 met 6,51 procent. Tussen €47.834 en €80.578 ben je daardoor alleen al in de inkomstenbelasting 51,02 procent kwijt over extra loon (38,16 plus 6,350 plus 6,51 procent), nog vóór de afbouw van toeslagen. Tot het eerste knikpunt van de arbeidskorting (€12.438) is de druk bovendien 0,32 procentpunt hoger dan in het eerste voorstel, omdat de arbeidskorting minder stijgt: het opbouwpercentage gaat daar van 9,50 naar 9,18 procent.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.