Drie kinderen die hun mantelzorgende zus verweten dat zij met een bankvolmacht voor €37.907,25 aan onverklaarbare uitgaven van de rekeningen van hun hoogbejaarde moeder had gedaan, kregen bij de rechter nul op het rekest. Omdat zij eisten dat de zus aan ieder van hen persoonlijk een kwart (€9.476,81 per persoon) zou overmaken in plaats van terugbetaling aan de gezamenlijke nalatenschap te vorderen, wees de rechtbank Zeeland-West-Brabant de eis af in een op 16 oktober 2026 gepubliceerd vonnis. De drie kinderen moeten samen €4.143,00 aan proceskosten aan hun zus betalen. In veel families regelt één kind op hoge leeftijd de bankzaken van vader of moeder. Ook in het gezin dat tegenover elkaar stond bij de rechtbank in Middelburg was één dochter mantelzorgster van haar moeder. Zij hielp haar moeder met de financiën en was in ieder geval sinds 2013 gevolmachtigd voor de betaalrekening en sinds 2015 ook voor de spaarrekening.
In april of mei 2018 verhuisde de moeder van haar zelfstandige woning naar een woonzorgcentrum. In 2023 overleed zij op bijna 94-jarige leeftijd. Volgens haar testament van 18 augustus 1997 waren al haar vier kinderen voor een gelijk kwart (één vierde deel) erfgenaam, en alle vier aanvaardden zij de nalatenschap zuiver.
Van €7.988,15 op de rekening naar een claim van €37.907,25
Op 4 februari 2025 verdeelde de zus het saldo dat toen op de bankrekening van de nalatenschap stond: €7.988,15 in totaal. Elk van de vier kinderen kreeg een vierde deel van dat saldo, oftewel €1.997,03 per persoon, op zijn rekening gestort.
De drie andere kinderen namen daar geen genoegen mee en stapten naar de rechter. Volgens hun stellingen in de dagvaarding begon hun moeder vanaf januari 2017 te dementeren, was zij in haar laatste levensjaren niet meer wilsbekwaam en had de zus vanaf 2017 een bedrag van €37.907,25 van de rekeningen laten verdwijnen via uitgaven buiten het normale bestedingspatroon van moeder, ten behoeve van de zus of haar familieleden.
De drie kinderen telden die €37.907,25 op bij het verdeelde restsaldo van €7.988,15 (samen €45.895,40, al vroegen zij in hun eis met een afrondingsverschil van drie cent om voor recht te verklaren dat het banksaldo €45.895,37 bedroeg). Zij berekenden hun eigen erfdeel op €11.473,84 per kind en eisten, na aftrek van de al ontvangen €1.997,03, dat de rechter hun zus zou veroordelen om aan ieder van hen drieën €9.476,81 plus wettelijke rente vanaf 28 mei 2025 te betalen.
Waarom een erfgenaam geen kwart voor zichzelf kan opeisen
Tot een inhoudelijk onderzoek naar de betwiste uitgaven van €37.907,25 kwam de rechter niet eens toe. In het op 16 oktober 2026 gepubliceerde
vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (uitgesproken op 13 mei 2026) struikelt de zaak volledig over de manier waarop de drie kinderen hun vordering hebben ingestoken.
De zus voerde onder meer aan dat de andere kinderen in eigen naam procedeerden en daarom niets voor de nalatenschap konden vorderen. Dat verweer volgde de rechtbank niet: uit de dagvaarding bleek dat de drie kinderen als erfgenamen optraden. Toch kregen zij geen gelijk, want een vordering uit onrechtmatige daad tegen een mede-erfgenaam wegens onttrekkingen aan het vermogen van de overledene kan volgens de rechtbank alleen worden ingesteld ten behoeve van de nalatenschap.
Zolang een erfenis niet volledig is verdeeld, vormt zij een bijzondere gemeenschap tussen alle erfgenamen samen. Geld dat tijdens het leven van een ouder onrechtmatig van de rekening is gehaald, levert een vordering tot schadevergoeding op die in de gezamenlijke boedel valt. Een individuele erfgenaam kan niet buiten de verdeling om zijn eigen breukdeel van één vierde rechtstreeks naar zijn eigen privérekening laten overmaken.
Ook de gevraagde verklaring voor recht dat het banksaldo €45.895,37 bedroeg, wees de rechtbank af: dat bedrag stond feitelijk niet op de bankrekening en zonder toewijsbare betalingsvordering hadden de drie kinderen geen afzonderlijk belang bij die verklaring.
Hoe je betwiste opnames wél verrekent met een erfdeel
Wie als erfgenaam vermoedt dat een gevolmachtigde broer of zus geld van vader of moeder heeft achterovergedrukt, moet bij de rechtbank de weg van de boedelverdeling volgen. Op grond van
artikel 3:185, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kun je de rechter vragen de verdeling vast te stellen als jullie het onderling niet eens worden. In die procedure vorder je dat de mede-erfgenaam het onttrokken bedrag aan de nalatenschap vergoedt.
Daarnaast biedt
artikel 3:184, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek een krachtig middel bij die verdeling: elke erfgenaam kan verlangen dat wat een andere deelgenoot aan de nalatenschap schuldig is, bij de verdeling op diens eigen erfdeel wordt toegerekend, ongeacht de financiële positie van die broer of zus.
Omdat de drie kinderen wel om vaststelling van de verdeling vroegen, maar ieder €9.476,81 voor zichzelf opeisten in plaats van vergoeding aan de nalatenschap, verloren zij de zaak en moeten zij binnen veertien dagen na aanschrijving €4.143,00 aan proceskosten aan hun zus betalen (€1.374,00 griffierecht, €2.580,00 advocaatsalaris en €189,00 nakosten).
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.