Grote ondernemingen in de Europese Unie mogen vanaf zondag 19 juli geen onverkochte kleding, kledingaccessoires en schoenen meer vernietigen. De nieuwe regel moet voorkomen dat bruikbare producten rechtstreeks in de afvalstroom verdwijnen zonder ooit door een consument te zijn gedragen. Het verbod komt voort uit Europese regels voor duurzamere producten. Voor consumenten verandert niet onmiddellijk de prijs in de winkel, maar kledingbedrijven zullen wel anders moeten omgaan met overschotten, retourzendingen en collecties die uit de mode raken.
De maatregel geldt in eerste instantie voor grote ondernemingen. Middelgrote bedrijven krijgen meer tijd en vallen volgens de huidige planning vanaf 2030 onder de verplichting. Er zijn beperkte uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld wanneer een product beschadigd is of niet veilig kan worden gebruikt.
Miljoenen kledingstukken verdwijnen ongebruikt
Volgens de
Europese Commissie wordt naar schatting 4 tot 9 procent van alle textielproducten in
Europa vernietigd voordat iemand ze heeft gedragen. De productie van die ongebruikte goederen zou jaarlijks ongeveer 5,6 miljoen ton aan CO₂-uitstoot veroorzaken.
Daarbij gaat het niet alleen om kleding die maandenlang in een winkel heeft gehangen. Ook retouren uit webwinkels kunnen in de afvalstroom terechtkomen. Het controleren, opnieuw verpakken en opnieuw verkopen van een goedkoop kledingstuk kan voor een bedrijf duurder zijn dan het product afschrijven.
Die economische prikkel wordt met het verbod doorbroken. Vernietiging mag niet langer de standaardoplossing zijn voor producten die commercieel minder aantrekkelijk zijn geworden.
De Europese Commissie noemt Frankrijk en Duitsland als voorbeelden van de omvang van het probleem. In Frankrijk zouden jaarlijks voor honderden miljoenen euro’s aan onverkochte producten worden vernietigd. In Duitsland zouden ieder jaar miljoenen geretourneerde artikelen worden afgedankt.
Kleding hoeft niet automatisch in de uitverkoop
Voor consumenten kan de nieuwe regel de verwachting wekken dat alle onverkochte kleding voortaan met enorme kortingen in de winkel belandt. Dat is niet wat de wet voorschrijft.
Een bedrijf kan verschillende routes kiezen. Het kan de voorraad langer te koop aanbieden, producten via outlets verkopen, kleding opnieuw verwerken, artikelen doneren of het voorraadbeheer verbeteren zodat er minder wordt geproduceerd.
De maatregel geeft consumenten geen wettelijk recht op korting. Een winkel blijft zelf bepalen voor welke prijs een product wordt aangeboden. Het is daardoor niet zeker dat de uitverkoop vanaf zondag groter wordt.
Op langere termijn kan het verbod er wel voor zorgen dat bedrijven voorzichtiger inkopen. Een overschot kan niet meer eenvoudig worden vernietigd. Daardoor wordt het financieel aantrekkelijker om beter te voorspellen welke maten, kleuren en modellen werkelijk worden verkocht.
Retourneren blijft mogelijk
De nieuwe Europese regel verandert de bestaande rechten bij online aankopen niet. Wie kleding via internet koopt, houdt in beginsel het wettelijke recht om de aankoop binnen de bedenktijd te herroepen. Winkels mogen consumenten dus niet zomaar hun retourrecht afnemen met het argument dat retourzendingen duurzamer moeten worden.
Een consument heeft wel de verantwoordelijkheid om zorgvuldig met een product om te gaan. Wie kleding verder gebruikt dan nodig is om de aard, kenmerken en pasvorm vast te stellen, kan te maken krijgen met waardevermindering.
Bedrijven zullen ondertussen meer moeite moeten doen om geretourneerde kleding opnieuw verkoopbaar te maken. Een retour kan worden gecontroleerd, gestoomd, opnieuw verpakt en teruggezet in de voorraad. Beschadigde artikelen kunnen mogelijk worden gerepareerd of voor onderdelen en vezels worden gebruikt.
Vanaf 2027 meer openheid
Naast het verbod komt er een verplichting om informatie over onverkochte consumentenproducten openbaar te maken. De eerste geharmoniseerde rapportageverplichtingen gaan volgens de Commissie in februari 2027 gelden.
Daardoor moet beter zichtbaar worden hoeveel producten onverkocht blijven en wat bedrijven daarmee doen. Die openheid kan investeerders, consumenten en toezichthouders helpen beoordelen of een onderneming werkelijk minder verspilt.
Het verbod betekent overigens niet dat ieder afzonderlijk kledingstuk koste wat kost moet worden bewaard. Wanneer een product door verontreiniging, ernstige schade of een veiligheidsprobleem niet meer bruikbaar is, kan een uitzondering gelden. Nationale toezichthouders moeten erop letten dat zulke uitzonderingen niet worden gebruikt om het verbod te omzeilen.
Gevolgen voor goedkope mode
De grootste verandering kan optreden bij bedrijven die met zeer grote aantallen en snel wisselende collecties werken. Bij dat bedrijfsmodel wordt vooraf veel geproduceerd, terwijl moeilijk te voorspellen is welke artikelen populair worden.
Als vernietigen geen uitweg meer is, worden fouten in die voorspelling duurder. Ondernemingen kunnen daarop reageren met kleinere productieruns, meer productie op aanvraag of systemen waarbij een artikel pas in grote aantallen wordt gemaakt nadat de eerste vraag zichtbaar is.
Daarmee is de regel ook een financiële prikkel. Minder overproductie betekent minder geld dat vastzit in onverkoopbare voorraad. Tegelijk kunnen sortering, opslag, reparatie en herverkoop extra kosten opleveren.
Voor de consument zal het effect waarschijnlijk geleidelijk zichtbaar worden. Verwacht zondag geen plotselinge halvering van alle prijzen. De werkelijke verandering vindt vooral achter de schermen plaats: kleding die niet wordt verkocht, mag bij grote bedrijven niet langer zonder meer worden weggegooid of verbrand.