Wie op zestien- of zeventienjarige leeftijd aan een mbo-opleiding begint, betaalt nog geen wettelijk lesgeld. Dat betekent alleen niet dat de opleiding helemaal gratis is. Boeken, digitale licenties en andere verplichte leermiddelen kunnen samen een flinke rekening opleveren. Voor minderjarige mbo-studenten bestaat daarom een tegemoetkoming. In het studiejaar 2026-2027 bedraagt die 80 euro. Het geld of de voorziening loopt via de school. Studenten en ouders moeten er dus niet automatisch van uitgaan dat DUO het bedrag rechtstreeks naar hun bankrekening overmaakt.
De precieze uitvoering kan per mbo-instelling verschillen. De ene school kan het bedrag uitbetalen, terwijl een andere instelling de tegemoetkoming verwerkt in de aanschaf of verstrekking van boeken, software of digitale licenties.
Wie heeft recht op de €80?
De regeling is bedoeld voor mbo-studenten die op 1 augustus nog geen achttien jaar zijn. Het gaat om een tegemoetkoming in verplichte leermiddelen, zoals studieboeken, software en licenties.
De
Rijksoverheid vermeldt bij de kosten van een mbo-opleiding dat de bijdrage in het studiejaar 2025-2026 nog 60 euro bedroeg. Voor de studiejaren 2026-2027, 2027-2028 en 2028-2029 is het bedrag vastgesteld op 80 euro.
De mbo-instelling bepaalt hoe de tegemoetkoming wordt gegeven. Dat is belangrijk, want het bedrag hoeft niet als herkenbare betaling met de omschrijving “80 euro schoolkosten” op de rekening te verschijnen. Het kan ook worden verrekend of in natura worden aangeboden.
Wie niets over de regeling heeft gehoord, kan daarom het beste bij de studentenadministratie of financiële afdeling van de school informeren. Vraag daarbij specifiek naar de tegemoetkoming voor leermiddelen voor mbo-studenten jonger dan achttien jaar.
Geen lesgeld betekent niet: geen kosten
Minderjarige mbo-studenten betalen geen wettelijk lesgeld. Dat verandert zodra de student op 1 augustus achttien jaar of ouder is en een voltijdse bol-opleiding volgt. Voor een bbl-opleiding gelden weer andere cursusgeldregels.
Toch kunnen ook minderjarige studenten te maken krijgen met een lange materialenlijst. Denk aan boeken, readers, een laptop, specifieke werkkleding of persoonlijke hulpmiddelen. Bij sommige opleidingen loopt de rekening daardoor snel op.
Er bestaat wel een onderscheid tussen spullen die de school beschikbaar moet stellen en zaken die een student zelf moet verzorgen. De mbo-instelling is verantwoordelijk voor de basisvoorzieningen die tijdens de lessen nodig zijn. Computers, kopieerapparatuur en speciale gereedschappen die op school worden gebruikt, horen daar in beginsel bij.
Een koksopleiding moet bijvoorbeeld beschikken over de noodzakelijke keukenuitrusting. Een kappersopleiding moet voldoende materialen hebben om studenten tijdens de lessen te laten oefenen. De school kan niet iedere investering die bij het geven van
onderwijs hoort doorschuiven naar de student.
Boeken, schriften, readers en materialen die de student persoonlijk gebruikt of thuis nodig heeft, kunnen wel op de schoollijst staan. Ook persoonlijke werkkleding kan in bepaalde gevallen voor rekening van de student komen.
Extra hulp bij een laag gezinsinkomen
Voor een gezin dat honderden euro’s aan studiemateriaal moet betalen, is 80 euro welkom maar niet altijd voldoende. Minderjarige studenten uit gezinnen met een laag inkomen kunnen mogelijk aanvullende hulp krijgen uit het mbo-studentenfonds.
Dat fonds kan worden gebruikt voor noodzakelijke onderwijsbenodigdheden, zoals boeken, een laptop of werkkleding. De vorm van de hulp kan verschillen. Soms gaat het om een vergoeding, soms om een bruikleenvoorziening.
De school kan voorwaarden stellen en om informatie vragen waarmee wordt vastgesteld of de student voor ondersteuning in aanmerking komt. Het is daarom verstandig niet tot na de eerste lessen te wachten. Wie al weet dat de aanschaf van alle verplichte spullen problemen gaat opleveren, kan vóór de start van de opleiding contact opnemen.
Studenten moeten zich niet laten afschrikken door het idee dat zij als enigen om hulp vragen. Mbo-instellingen hebben juist een studentenfonds omdat financiële problemen de opleiding niet in de weg mogen staan.
Ook recht op een studentenreisproduct
Minderjarige studenten die een voltijdse mbo-opleiding volgen, kunnen bovendien recht hebben op het studentenreisproduct. Daarvoor moet wel een aanvraag worden gedaan bij DUO. De ov-kaart verschijnt dus niet vanzelf zodra iemand zich bij een mbo-instelling inschrijft.
Het reisproduct is een lening die een gift kan worden wanneer de student binnen de diplomatermijn het diploma behaalt. Voor mbo-studenten op niveau 1 en 2 gelden afwijkende regels: voor hen wordt het reisproduct doorgaans direct als gift behandeld.
Wie dagelijks met trein of bus naar school moet, kan met het reisproduct aanzienlijk meer besparen dan met de tegemoetkoming voor boeken. Juist daarom is het verstandig om beide regelingen los van elkaar te controleren.
Controleer ook vrijwillige kosten
Mbo-scholen kunnen daarnaast geld vragen voor activiteiten of voorzieningen die niet noodzakelijk zijn om het diploma te behalen. Een student hoeft een vrijwillige bijdrage niet te betalen om de opleiding te kunnen afronden.
De grens is in de praktijk niet altijd meteen zichtbaar. Een buitenlandse excursie kan onderdeel zijn van een aantrekkelijk programma, maar als deelname alleen mogelijk is na een extra betaling, moet de school duidelijk maken welk alternatief er bestaat. Verplichte onderdelen van de opleiding kunnen niet simpelweg afhankelijk worden gemaakt van een vrijwillige bijdrage.
Voor ouders en studenten is de beste aanpak daarom vrij eenvoudig: controleer de kostenlijst, vraag hoe de 80 euro wordt verstrekt en informeer tijdig naar het studentenfonds als de totale rekening te hoog is. Het bedrag is misschien geen volledige oplossing, maar het is wel geld of ondersteuning waarop een minderjarige mbo-student niet onnodig moet mislopen.