Afbeelding gemaakt met Gemini AI van Google
Twee gemeenten hielden loonheffing in tegen 36,93 procent en pasten allebei de loonheffingskorting toe: de rekening volgde bij de aanslag
Wilt u DDS vaker zien?
Stel DDS in als voorkeursbron op Google.
Voeg DDS toe op GoogleWie in één kalenderjaar bij twee verschillende werkgevers werkt of twee inkomens combineert, kan op zijn maandelijkse loonstrookjes jarenlang het idee hebben dat er genoeg belasting wordt ingehouden, totdat de definitieve aanslag op de mat valt. Dat ondervond een werknemer die in één jaar voor twee gemeenten werkte en aan het einde van de rit €10.991 aan inkomstenbelasting plus €405 aan belastingrente moest bijbetalen. In een op 28 oktober 2026 gepubliceerde uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 oktober 2026 krijgt de Belastingdienst over de hele linie gelijk: ook zonder bewuste fout van de werknemer moet het volledige bedrag worden afgerekend.
Twee salarissen van samen €118.217 bruto
De zaak speelde rond de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het belastingjaar 2023. De man had in dat jaar in loondienst gewerkt bij twee verschillende gemeenten. Bij de eerste gemeente verdiende hij €69.229 bruto, waarop zijn werkgever €22.310 aan loonheffing inhield. Bij de tweede gemeente ontving hij in datzelfde jaar €48.988 bruto, waarop €16.359 aan loonheffing werd ingehouden. In zijn belastingaangifte gaf de man alleen het salaris van de eerste gemeente op, samen met een aftrekpost van €3.535 voor zijn eigen woning.
Bij de controle van de aangifte legde de inspecteur de loongegevens van beide werkgevers naast elkaar. Daaruit bleek dat de man in totaal €118.217 aan brutosalaris had ontvangen en dat er €38.669 aan loonheffing was ingehouden. Na aftrek van de eigenwoningkosten kwam zijn belastbare inkomen uit werk en woning uit op €114.682, waarover in totaal €48.111 aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen verschuldigd was. Omdat de man daarnaast al een voorlopige teruggave van €1.549 had ontvangen, legde de Belastingdienst hem een definitieve aanslag op van €10.991 te betalen, vermeerderd met €405 belastingrente.
Waarom beide werkgevers los van elkaar inhouden
Voor de rechtbank in Breda voerde de werknemer aan dat hem geen bewuste fout kon worden verweten en dat een bijbetaling van deze omvang in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De belastingrechter gaat daar niet in mee en legt precies uit waarom de maandelijkse inhouding op beide loonstroken achterliep op de werkelijke belastingschuld.
Beide gemeenten hadden op het door hen uitbetaalde salaris loonheffing ingehouden tegen het toenmalige basistarief van 36,93 procent en hadden daarnaast allebei de loonheffingskorting toegepast. Dat is volgens de rechtbank geen fout van de werkgevers: een salarisadministratie weet immers niet hoeveel een werknemer elders verdient en ziet evenmin dat iemand nog een tweede dienstverband heeft. Pas wanneer de twee losse inkomens bij de jaarlijkse belastingaangifte bij elkaar worden opgeteld, valt het bovenste deel van het gezamenlijke inkomen in het toptarief van box 1 en vervalt de dubbel genoten korting. Over het hele jaar gerekend betaalt de werknemer volgens de rechtbank geen euro meer belasting dan wanneer het hogere tarief direct maandelijks was ingehouden; hij betaalt het achterstallige deel alleen achteraf bij de definitieve aanslag.
Lees ook
Dubbele korting en afbouw van heffingskortingen in 2026
De valkuil uit deze rechtszaak raakt iedereen die twee banen combineert, halverwege het jaar van werkgever wisselt met overlappende uitbetalingen, of naast een loon of AOW een tweede inkomen ontvangt. Volgens de uitleg van de Belastingdienst over meerdere inkomens en de tarieftabellen in artikel 2.10, artikel 8.10 en artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 lopen bij twee inkomens drie effecten tegelijk op:
- Loonheffingskorting mag maar bij één betaler aanstaan: laat je op twee salarissen of uitkeringen tegelijk de loonheffingskorting toepassen, dan ontvang je gedurende het jaar twee keer belastingkorting waar je bij de eindafrekening maar één keer recht op hebt.
- Snelle afbouw van heffingskortingen bij hoger totaalinkomen: in 2026 bedraagt de maximale algemene heffingskorting €3.115, maar zodra je verzamelinkomen boven €29.736 uitkomt, bouwt die korting af met 6,398 procent tot nul bij €78.426. Ook de arbeidskorting (maximaal €5.685 in 2026) wordt vanaf een arbeidsinkomen van €45.592 afgebouwd met 6,51 procent. Zelfs als je de loonheffingskorting maar bij één werkgever aanzet, rekent die werkgever met een te hoge korting omdat hij jouw tweede inkomen niet meetelt.
- Overgang naar een hogere belastingschijf in box 1: in 2026 loopt de eerste schijf in box 1 tot €38.883, geldt van €38.883 tot €78.426 een tarief van 37,56 procent en betaal je over elke euro boven €78.426 het toptarief van 49,50 procent. Twee inkomens die afzonderlijk onder de €78.426 blijven, duwen elkaar bij optelling al snel voor tienduizenden euro's in de schijf van 49,50 procent.
Lees ook
Zo voorkom je een hoge bijbetaling bij twee inkomens
Controleer op je loonstroken of jaaropgaven direct of de loonheffingskorting slechts bij één werkgever of uitkeringsinstantie op 'ja' staat, bij voorkeur bij je hoogste inkomen. Heb je daarnaast een tweede baan, een neveninkomen of een lopende voorlopige teruggave voor je koopwoning, pas dan in Mijn Belastingdienst je voorlopige aanslag aan zodra je tweede inkomen ingaat. De rechtbank in Breda wees erop dat de man zelf een nieuwe voorlopige aanslag had kunnen aanvragen, waardoor hij de voorlopige teruggave van €1.549 al eerder had terugbetaald. Met zo'n aanpassing betaal je het verschil in de loop van het jaar en voorkom je dat je bij de definitieve aanslag ineens veel moet bijbetalen.
Wil je weten vanaf welke dag van het jaar je voor jezelf werkt in plaats van voor de Belastingdienst? Bereken het met de Tax Freedom Day-calculator van Box3Wacht, de rekensite van DDS.
Ga verder met lezen
Dit vind je misschien ook leuk
Laat mensen jouw mening weten
Lees ook
Loading






