Een stabiel kabinet?

Foto:

We zullen het op zelfspot houden dat de redactie van de Dagelijkse Standaard haar wenskabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV als ‘DDS-1′ aanduidt. Dat veronderstelt dat er nog heel wat van die kabinetten gaan komen, zoiets als Balkenende-IV of Martens-VII. Dat zal toch niet echt de bedoeling zijn. Maar de verwachting (hoop) is wel dat het komende minderheidskabinet daadkrachtig zal zijn. Bovendien lees ik steeds vaker dat dit kabinet ‘stabiel’ zal zijn. Er wordt dan op gewezen dat veel meerderheidskabinetten (zie al die Balkenendes) de rit niet hebben uitgezeten en dus evenmin het predikaat ‘stabiel’ kunnen opeisen. Als het komende kabinet-Rutte het drie jaar zou uithouden, zou dat al ‘stabiel’ kunnen worden genoemd. 

Zo kun je het inderdaad bekijken, al is dit wel heel minimalistisch geredeneerd. Daar heb ik op zichzelf geen bezwaar tegen (als het om kabinetten gaat, ben ik voorstander van minimalistische verwachtingen), maar het is de vraag of je de stabiliteit van een kabinet wel moet afmeten aan de levensduur. Er zijn kabinetten geweest die goed op de winkel hebben gepast en vier jaar bleven zitten (het kabinet-De Jong), maar het vechtkabinet van Joop den Uyl heeft het ook bijna vier jaar uitgehouden, en dat was dacht ik minder stabiel. Het zorgde voor ‘tweedracht in de samenleving’, al is dat meestal een linkse en geen rechtse klacht (volgens Hans Wiegel was dat kabinet een ramp voor het land en een feest voor de oppositie).

Kan een minderheidskabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV stabiel zijn? Misschien wel. Het kan best enige jaren zitten, vooral als de linkse oppositie ertegen te hoop loopt (wat verwacht mag worden). Juist omdat het op een minimaal draagvlak in het parlement steunt, is de kans aanwezig dat de fractieleiders de troepen disciplineren en bij elkaar weten te houden (wat de positie van het parlement verzwakt en de achterkamertjespolitiek versterkt). Het kabinet-Van Agt-Wiegel heeft laten zien hoe dat kan. Zelfs het opstappen van de minister van Financiën Frans Andriessen werd moeiteloos overleefd. Maar dat was dan ook een kabinet om ‘erger’ (Den Uyl-II) te voorkomen. Verder heeft dat kabinet niet veel gedaan, waarbij de overheidstekorten opliepen. Misschien was dat wel een stabiel kabinet, maar aan de stabilisering van de overheidsfinanciën (en daarmee de nationale volkshuishouding) droeg het weinig bij.

Dat laatste wil DDS-1 nadrukkelijk wel gaan doen. Er moet ‘daadkracht’ komen, dat wil zeggen: er moet bezuinigd worden. Dat zal niet meevallen, gezien het te verwachten verzet van de (linkse) staatsbureaucratie, maar kan de rechtse eenheid ook versterken. Laten we aannemen dat dit inderdaad gaat lukken, wie mag dan het succes gaan claimen? In 1986 claimde Lubbers dat, tot ergernis van de VVD. Die ergernis leidde in 1989 tot de val van Lubbers-II, waarna Lubbers in Lubbers-III nog eens heel stabiel de rit uitzat met de PvdA van Wim Kok, die vervolgens superstabiel in Paars-I en Paars-II acht jaar premier was (een saaie, gelukkige en welvarende tijd) en rustig kon voortbouwen op het economisch herstelbeleid dat onder Onno Ruding was ingezet.

Is zo’n succesverhaal weer mogelijk? Je weet nooit, de wonderen zijn de wereld niet uit en Nederland is – hoe instabiel de politiek ook is – een stabiel land. Maar is de PVV zo genereus dat zij een succesvol beleid van VVD en CDA blijft steunen als dat betekent dat die laatste partijen weer in de opiniegunst gaan stijgen en zijzelf moet inleveren? De stabiliteit van een kabinet wordt uiteindelijk vooral bepaald door de vraag in hoeverre de deelnemende partijen elkaar de mogelijke successen gunnen. Van de PVV – die binnen de gevestigde orde te boek staat als een rancunepartij – vereist dat een extreme zelfbeheersing. Anderzijds: misschien hopen VVD en CDA er wel op dat de PVV in dat geval aan de eigen rancune ten onder gaat en alsnog verdampt.


Waardeer jij de artikelen op DagelijkseStandaard.nl? Volg ons dan op Twitter!

In dit artikel

Like nu onze nieuwe pagina voor nieuws en opinie!