Wat is mooier, het leven zelf of de literatuur?

Foto:

Die vraag fascineert schrijfster Jannah Loontjens. “Schrijven is een vorm van vluchten.”

Het leven zelf lacht ons toe, al regent het pijpenstelen op het Mercatorplein. Verregende fietsers, bejaarden onder paraplu’s, scharrelende zwervers, bouwvakkers en moeders met kinderwagens passeren het venster tijdens het vraaggesprek met schrijfster/dichteres Jannah Loontjens. En nooit zullen we hun verhalen kennen. Zelfs de mensen hier binnen in het café zullen ons grotendeels een raadsel blijven: de kennis die de schrijfster om de nek valt, de interviewster die ooit – zo’n twintig jaar geleden – gelijktijdig met de geïnterviewde colleges moet hebben gevolgd; en last but not least de schrijfster zelf, die uiteraard meer is dan het sjabloon dat ‘de media’ van haar gemaakt hebben.

Ja, groene ogen heeft ze, glanzende blonde haren en het figuur van een fotomodel. Eigenschappen die haar al eens het predikaat ‘lekker ding’ hebben opgeleverd in een recensie (Adriaan Jaeggi in Het Parool). En haar jeugd? Inderdaad, die bracht ze deels door in de bossen van Zweden, samen met haar hippieouders, een verhaal dat haar sinds haar romandebuut Veel geluk, deels op haar familiegeschiedenis gebaseerd, blijft achtervolgen.

De titel van haar boekje Mijn leven is mooier dan literatuur, met filosofische beschouwingen over het schrijverschap, ontleende ze aan een uitspraak van een oude man in een café, die toen Loontjens had verteld dat ze ‘schrijfster’ was – een term die zij meestal zorgvuldig mijdt omdat die zo ‘pretentieus’ klinkt – uitriep: ‘O, maar mijn leven is veel mooier dan literatuur!’

Deze uitspraak was in zekere zin een bevestiging van de vraag die Loontjens al jaren bezig hield en waar zij op dat moment ook haar proefschrift – de wetenschappelijke versie van Mijn leven is mooier dan literatuur – aan wijdde.

“Ik dacht gelijk: hé, dat is een mooie titel. De man in het café suggereerde met die uitspraak dat het ware leven niet kan tippen aan datgene wat in boeken geschreven staat. Aan de andere kant liet hij daarmee zien dat het leven ook als een verhaal is op te vatten.”

Schrijven en leven staan niet los van elkaar, zou het motto van Loontjens kunnen zijn. Beide maken gebruik van een geconstrueerd verhaal. En het ene doet niet voor het andere onder: noch in dubbelzinnigheid, noch in complexiteit. “Literatuur is natuurlijk verweven met het leven. Dat wat ik heb gelezen is deel van mijn gedachten, observaties, woordkeus en associaties. En andersom beperkt het schrijven zich niet tot de paar uurtjes dat ik geconcentreerd werk. Ideeën komen in me op als ik onder de douche sta, of in de rij van de supermarkt. En als ik in de trein zit, vang ik soms een mooie dialoog op.”

Schrijven, met al het geworstel van dien (zo beschrijft ze in een van de essays openhartig de gruwelen van ‘de beginzin’) is voor haar altijd bittere noodzaak geweest. Eerst voornamelijk gedichten – de bundels Het ongelooflijke krimpen en Varianten van nu –, later ook romans. “Waarom? Ja, goeie vraag. Ik denk dat schrijven een vorm van vluchten is. Je kunt verdwijnen in je eigen verhaal als je schrijft. Het is een vorm van helemaal weg-zijn, van opperste concentratie die voor mij tegelijkertijd een vorm van ontspanning inhoudt.”

Eigenlijk wilde ze van jongs af aan al schrijven, maar vanuit praktisch en financieel oogpunt leek het haar geen gek idee daarnaast te promoveren en een wetenschappelijke carrière aan de universiteit te ambiëren. “Het analytische is ook een deel van mij en het gaf mij de gelegenheid mijn nieuwsgierigheid te bevredigen; teksten te lezen die ik nog niet kende.” Maar inmiddels heeft ze gemerkt dat er aan universiteiten nauwelijks plaats is voor halve academici die er nog een baan of uit de hand gelopen hobby naast hebben. “Ik heb het ook altijd moeilijk gevonden dat een persoonlijke motivatie in de wetenschap geen rol mocht spelen. Iets ‘fascinerend’ vinden op basis van persoonlijke ervaringen is in de wetenschap niet genoeg. Je moet alles plaatsen in een wetenschappelijke context en elke bewering verantwoorden met bronnen. Als wetenschapper hoor je een neutrale toon aan te nemen. Na zeven jaar literatuurwetenschappelijk onderzoek was ik opgelucht dat ik het academische schrijven weer achter me kon laten.”

In Het leven is mooier dan literatuur, de publieksversie van haar proefschrift, staat ze zichzelf dan ook volop dwaaltochten toe naar films en boeken uit haar kindertijd (de verrukkelijke leeservaring van Arnold Lobels Kikker en Pad) en haar persoonlijke ervaringen. Kortom, het leven dat de onderliggende voedingsbodem voor haar wetenschappelijke werk vormde, maar dat ze er niet in kwijt kon – of mocht.

In de literatuurwetenschap is het lange tijd not done geweest te beweren dat een schrijversleven verweven is met de literatuur die het voortbrengt. Een literair werk dient sinds de jaren-zestig heersende academische opvatting te worden benaderd als een tekst die helemaal op zichzelf staat. De achtergrond van de schrijver is domweg irrelevante informatie.

“Er valt veel te zeggen voor deze tekstimmanente benadering,” vindt Loontjens. “Omdat daarmee een werk puur op zijn literaire kwaliteiten kan worden beoordeeld. Alleen, wordt die autonome benadering wel heel radicaal uitgelegd. De achtergrond van een schrijver en informatie over de ontstaansgeschiedenis kan wel degelijk fascinerend zijn en aan het denken zetten over literatuur en de wereld. Daarnaast staat een literair werk toch ook niet helemaal los van de lezer die een boek op verschillende leesmomenten tot zich neemt?”

In het publieke debat en de journalistiek is het onderscheid tussen (schrijvers)leven en literatuur juist steeds verder te zoeken. Daar schijnt de andere stroming, die van het Interbellum, definitief te hebben postgevat. Schrijvers als E. Du Peron en Menno ter Braak stelden het karakter van de schrijver centraal. De ‘eerlijkheid’ waarmee werd geschreven bepaalde de kwaliteit van het werk, vonden zij.

“Veel mensen vinden een boek of film tegenwoordig juist goed omdat het waargebeurd is. Als het achteraf verzonnen blijkt, zijn ze woedend.” De boeken van JT LeRoy (ontmaskerd als Laura Albert), over het leven van een drugsverslaafd jongetje dat verkleed als meisje met zijn tippelende moeder op straat overleefde, zijn een goed voorbeeld. Of die van Maria Mosterd en haar (zo bleek later: fictieve) ervaringen als slachtoffer van een loverboy. “Die literaire hoax-affaires laten juist goed zien dat het er wel degelijk toe doet ‘wie’ een verhaal vertelt en hoezeer de schrijver deel is van het mediaspektakel.”

Hoe verklaart Loontjens die hang naar ‘waargebeurd’? “Dat mensen bij romans nu steeds vaker de vraag naar ‘de waarheid’ achter het verhaal stellen, heeft misschien iets tragisch: alsof de literatuur het niet alleen af kan. Ik denk dat het een reactie is op het postmoderne denken, de traditie waarin wij op de universiteit zijn groot gebracht. Wij leerden dat er helemaal niet zoiets bestaat als één waarheid achter een roman: hoe dieper de lezer graaft, hoe complexer de werkelijkheid achter én in het boek zal worden. Ook de betekenis van een boek verandert met de tijd, voor onszelf en in de loop van de geschiedenis. En zo is het ook met de waarheid: die is in ieders ogen en elke dag weer anders.”

“Ik merk aan mijn studenten dat je concepten als ‘intertekstualiteit’ allang niet meer hoeft uit te leggen. Daar zijn ze gewoon mee opgegroeid. Ik denk eerder dat zij nostalgie hebben naar eenvoud, eenduidigheid en eerlijkheid. Al die ironie staat ontroering maar in de weg, vinden ze.”

Zou de hang naar eerlijkheid ook de verklaring kunnen zijn voor het feit dat Nederland zoveel aspirant-schrijvers telt?

“Zeker, mensen hebben een grote behoefte het leven te verwerken en het private publiek te maken, ook nu het christendom is weggevallen en er weinig troost is in de vorm van een beloning in de hemel. Schrijven is een vorm van sublimatie, van zingeving. En veel meer mensen dan vroeger hebben daarvoor de middelen. Ze zijn geletterd en hebben de beschikking over een tekstverwerker. Maar dat wil natuurlijk nog niet zeggen dat er bij het neerschrijven van al die levenservaringen ook sprake is van literatuur.”

Wil ze dan misschien een definitie geven van wat dan wél ‘literatuur’ is? Loontjens is even stil: “Dat is een eigenschap van elk goed boek op zich. Je moet als lezer gegrepen worden, maar zodra je dat wilt samenvatten, hoe en waarom dat gebeurt, dan maak je er alweer iets anders van. Wat een goed boek tot een pareltje maakt is niet te vangen. Het heeft met de eigen, authentieke stem van de schrijver te maken, maar ook met smaak, met levensinstelling… Nee, ik kan en wil geen definitie geven van grote literatuur.” 

Heeft literatuur eigenlijk nog toekomst? Is het niet een tijdelijke kunstvorm die langzaam weer uitsterft?

“De fascinatie voor grote schrijvers Sophocles, Shakespeare, Dickens, Proust zal nooit over gaan. En de behoefte van mensen om te verdwijnen in een lang verhaal zal altijd blijven, denk ik. Zo’n tien jaar geleden riepen ze: de roman gaat verdwijnen want met internet komt er een ‘beeldcultuur’.  Maar kijk nu eens. Alle nieuwe media blijken vooral een taalexplosie te zijn. Taal is helemaal niet aan het verdwijnen. De jonge generatie is onder invloed van Facebook heel goed in het formuleren van spitsvondige denkbeelden en gedachtes. Waarschijnlijk zal de roman over dertig jaar wel wat minder ruimte in beslag nemen. Mensen dragen dan gewoon driehonderd romans in hun telefoon. Maar ik ben ervan overtuigd dat de roman altijd zal blijven bestaan. De komende eeuwen in elk geval. Voor daarna durf ik me niet uit te spreken.”

 

Zie hier de website van Jannah Loontjens.

Waardeer jij de artikelen op DagelijkseStandaard.nl? Volg ons dan op Twitter!

In dit artikel

Like nu onze nieuwe pagina voor nieuws en opinie!