PBL rapport toont onbegrip

Gisteren heeft het PlanBureau voor de Leefomgeving (PBL) een rapport gepubliceerd over het Nederlandse klimaatbeleid.

Voor wie het rapport niet wil lezen hieronder een samenvatting van de samenvatting:

Energietransitie vraagt voorbereidingstijd

Met het Energieakkoord is onder meer het beleid voor hernieuwbare energie in Nederland tot 2023 geconcretiseerd. Een meer geleidelijke realisatie van de doelstelling van 16 procent – in 2023 in plaats van 2020, zoals vastgelegd in het Regeerakkoord – heeft een flinke lastenverlichting met zich meegebracht. Dit laat ook zien dat voor een kosteneffectief transitiepad veel tijd nodig is.

Tempo van introductie hernieuwbare energie moet nog flink omhoog

De ambitie om in 2050 een vermindering van de broeikasgasemissies met ten minste 80 procent te realiseren vraagt een inzet van hernieuwbare enerbronnen van 35-80 procent. (…) Extrapolatie van het benodigde tempo tot 2020/2023 zou voor Nederland uitkomen op 30 – 35 procent hernieuwbare energie in 2050.

Doorzetten als het moeilijk wordt

Een transitieproces gaat niet altijd van een leien dakje. Dit is nu duidelijk zichtbaar in de elektriciteitsmarkt. Het is van belang het beleid tijdig bij te sturen, juist om de gewenste richting naar vergroening vast te kunnen houden.

Wat nu nog innovatief is, moet het beeld van 2050 bepalen

Tot 2050 moeten technologieën voor schone energie (…) in een stevig tempo worden geïntroduceerd. Hiervoor is het nodig een flink aantal nog nauwelijks (…) toegepaste innovaties voortvarend te ontwikkelen tot marktrijpe opties.

Meer langjarige beleidstrajecten nodig om innovatie in praktijk te brengen

Het Energieakkoord geeft slechts beperkt extra impulsen aan innovatieve opties. Voor (…) vermindering van broeikasgasemissies in Nederland met 80-95 procent in 2050 is het daarom des te belangrijker te werken aan de invulling van concrete, op innovaties gerichte activiteiten, zoals demonstratieprojecten en ondersteuning in de eerste fase van toepassing.

Uit de samenvatting komt prominent naar voren: we zijn bezig met innovatiebeleid. En dat beleid is er op gericht in 2050 bepaalde doelstellingen te halen. Waar gaat het rapport nu de mist in (en ook het Nederlandse en Europese energiebeleid)?

Het beleid is erop gericht om stap voor stap volgens een lineair traject tussen nu en 2050 de doelstellingen te halen. Er zijn 3 redenen waarom dat geen verstandige route is:

1. Innovatie verloopt niet lineair

2. Investeringen hebben een beperkte levensduur

3. Grote onzekerheid vraagt om voorzichtigheid

 

Innovatie verloopt niet lineair

Voor iederen die weet hoe innovaties werken zal dat geen verrassende uitspraak zijn. Goede innovaties kunnen snel hun weg vinden in de maatschappij, mits ze marktrijp zijn. Adaptatie van nieuwe technieken vertoont dus vaak een fase van exponentiële groei. Het huidige beleid is sterk gericht op stimulering van toepassing van technieken die nog niet marktrijp zijn. Dat is gewoon dom. Het wordt tijd dat de overheid zich laat informeren over hoe innovaties werken en hoe Nederland het beste de introductie van innovatieve technieken kan stimuleren. Het beleid richt zich er nu op om elk jaar bijvoorbeeld een percentage duurzame energie te realiseren. Het zou veel verstandiger zijn om in te zetten op een innovatietraject en pas zodra technieken marktrijp zijn in te zetten op exponentiële groei.

Investeringen hebben een beperkte levensduur

De overheid wil jaarlijks het aandeel duurzame energie verhogen tot 2050. Dus worden er nu al miljarden geïnvesteerd in onrendabele energieopwekking. Maar die investeringen zijn in 2050 allang afgeschreven. Als we uitgaan van een levensduur van 20 jaar moeten we pas vanaf 2030 op grote schaal inzetten op vervanging van fossiele energie door duurzame energie om de doelstelling voor 2050 te halen. Dit idee zien we terug bij de uitwerking van het Energieakkoord in de Duurzame brandstofvisie voor de transportsector. Daar wordt gemeld dat vanaf 2035 (levensduur van 15 jaar voor transportmiddelen) voor 100% moet worden ingezet op gebruik van voertuigen die zonder netto CO2-emissie kunnen rijden, wil men de doelstelling om in 2050 volledig nul-emissie te kunnen rijden halen. Tegelijkertijd is er geen pleidooi om nu al een evenredig deel nul-emissievoertuigen op de markt te gaan zetten.

Grote onzekerheid vraagt om voorzichtigheid

Nog een quote:

De doelstelligen voor het klimaatbeleid vinden hun basis in de afspraak tussen alle landen om de mondiale temperatuurstijging onder de 2 C te houden. Deze afspraak is vertaald in de vermindering van de mondiale uitstoot van broeikasgassen, met circa 50 procent in 2050 ten opzichte van 1990. Het gaat hierbij om zodanig complexe materie, met zulke grote onzekerheden, dat een dergelijk emissieniveau geen zekerheden biedt maar wel een redelijke kans oplevert dat de temperatuurstijging onder de afgesproken 2 C blijft.

De grote onzekerheden dwingen ons tot een beleid wat tussentijds bijgestuurd kan worden. Als er meer gedaan moet worden, maar ook als blijkt dat het beleid niet rendabel is. Er lijkt nu nog weinig aan de hand, laten we eerst meer zekerheid krijgen voor we op grote schaal gaan investeren.

Een andere onzekerheid, die minstens zo belangrijk is, is de onzekerheid of andere landen ook mee gaan doen aan het reduceren van emissies. Het lijkt er op dat de grootste vervuilers niet mee gaan doen. Als die vrees bewerkelijkheid wordt, zal ons beleid aangepast moeten worden en zullen we ons moeten richte op adaptatie in plaats van emissiereductie.

 

Het wordt tijd dat de overheid inziet dat we vooral bezig zijn met innovatiebeleid en dat dat een hele andere aanpak vergt dan een energietransitie met concrete korte termijn doelstellingen. Zo’n transitie is onvermijdelijk, maar nu is het er nog te vroeg voor.

Abonneer je gratis en voor niets op het Telegram-kanaal van De Dagelijkse Standaard, en like onze spiksplinternieuwe Facebook-pagina!
In dit artikel

e-mail:

 
Ja, ik ga ermee akkoord dat Dagelijkse Standaard mij incidenteel commerciële emails stuurt.