Iran is geen ‘moeilijk land’. Iran is een groot land met
een lange geschiedenis, een sterke identiteit en een politieke structuur die
bewust ingewikkeld is gemaakt. Wie vandaag naar Iran kijkt, ziet protesten,
internetblokkades, sancties, regionale oorlogsdreiging en een regime dat leunt
op controle en geweld. Maar dat verhaal begint niet in 2026, en ook niet in
1979. Het begint met een eeuw aan botsingen tussen modernisering, religie,
buitenlandse inmenging en een bevolking die steeds weer laat zien dat zij zich
niet stil laat zetten. De protesten die eind 2025 en begin 2026 oplaaien, staan
niet op zichzelf. Ze passen in een patroon dat al meer dan een eeuw zichtbaar
is. Steeds opnieuw botst de Iraanse samenleving met een politieke orde die
hervorming belooft, maar controle levert.
Macht en tegenmacht
Iran kent een sterke nationale identiteit. Tegelijkertijd is
het land herhaaldelijk gevormd door buitenlandse druk. Aan het begin van de
twintigste eeuw kwamen geestelijken, handelaren en intellectuelen samen tijdens
de Constitutionele
Revolutie van 1905–1911. Hun doel was helder: absolute macht
beperken en burgers inspraak geven.
Die wens werd nooit volledig ingewilligd. Buitenlandse
inmenging speelde een blijvende rol. Groot-Brittannië hielp Reza Shah Pahlavi
in 1921 aan de macht. Na zijn gedwongen aftreden in 1941 volgde zijn zoon
Mohammad Reza Pahlavi. De monarchie bleef sterk afhankelijk van westerse steun.
Het diepste litteken ontstond in 1953. De democratisch
gekozen premier Mohammad Mosaddegh werd afgezet na een door de Verenigde Staten
en het Verenigd Koninkrijk gesteunde staatsgreep. Voor veel Iraniërs was dit
het bewijs dat nationale soevereiniteit ondergeschikt was aan buitenlandse
belangen. Dat wantrouwen is nooit verdwenen.
De sjah en de grenzen van modernisering
Onder Mohammad Reza Pahlavi zette
Iran stevig in op
modernisering. De economie groeide. Het onderwijs werd uitgebreid. Vrouwen
kregen stemrecht en toegang tot publieke functies. De hijab werd verboden en
westerse kleding aangemoedigd.
Maar politieke vrijheid bleef uit. Oppositiepartijen werden
gemarginaliseerd of verboden. Kritiek werd onderdrukt via censuur, surveillance
en arrestaties. De Witte
Revolutie, bedoeld om
Iran in hoog tempo te
moderniseren, ontwrichtte traditionele structuren en vergrootte de
ongelijkheid.
Voor veel Iraniërs ging alles te snel. Steden groeiden
explosief, het platteland liep leeg. Religieuze leiders verloren formele
invloed, maar behielden hun achterban. De kloof tussen staat en samenleving
werd groter, niet kleiner.
1979: een brede revolutie
De Iraanse
Revolutie van 1978–1979 bracht uiteenlopende
groepen samen. Seculiere linksen, nationalisten, studenten, arbeiders,
bazaarhandelaren en geestelijken wilden allemaal af van de autocratie van de
sjah. Religie fungeerde als bindmiddel, niet als exclusief doel.
Ayatollah Ruhollah Khomeini wist vanuit ballingschap deze
woede te kanaliseren. Na de vlucht van de sjah in januari 1979 en de
neutraliteit van het leger viel het regime. Op 1 april 1979 werd
Iran via een
referendum uitgeroepen tot een Islamitische Republiek.
De machtsverdeling veranderde snel. De geestelijke elite
consolideerde haar positie, voormalige bondgenoten werden buitenspel gezet. De
nieuwe grondwet gaf de Opperste Leider doorslaggevende bevoegdheden. Wat begon
als een brede volksopstand, eindigde in een strak gecontroleerde theocratie.
Een staat gebouwd op religie en dwang
Sinds 1979 is
Iran formeel een republiek, maar in de
praktijk een hiërarchisch systeem waarin de Opperste Leider boven de gekozen
instellingen staat. De president heeft invloed, maar geen doorslaggevende
macht.
Dat werd opnieuw zichtbaar na de verkiezing van president
Masoud Pezeshkian in 2024. Hij presenteerde zich als pragmatisch en sociaal
betrokken. Hij sprak over inflatie, sancties en mismanagement. Maar op cruciale
dossiers bleef zijn speelruimte beperkt.
De werkelijke macht ligt bij de Opperste Leider, de
Revolutionaire Garde en het veiligheidsapparaat. Dat systeem kent één
constante: wanneer legitimiteit afneemt, neemt repressie toe.
Protest als vast onderdeel van het systeem
Iran kent al decennia terugkerende protestgolven. In 2009 na
betwiste verkiezingen. In 2019 na plotselinge verhogingen van de
brandstofprijzen. In 2022 na de dood van Mahsa Amini, die werd aangehouden door
de zedenpolitie.
De protesten van 2022 vormden een keerpunt. Voor het eerst
stonden vrouwen en meisjes zichtbaar aan de frontlinie. Leuzen als ‘Vrouw,
Leven, Vrijheid’ raakten een gevoelige kern. Het regime reageerde met geweld,
massale arrestaties en executies.
Die ervaring werkt door. Veel Iraniërs hebben geleerd dat
protest gevaarlijk is, maar ook dat zwijgen niets oplost. Dat maakt de huidige
golf hardnekkig.
De huidige crisis: economie als katalysator
De recente protesten begonnen niet met ideologie, maar met
geld. Inflatie en plotselinge prijsstijgingen van basisproducten troffen vooral
de werkende klasse en de middenklasse. Toen winkeliers hun deuren sloten en
markten in verzet kwamen, sloeg economische woede om in politieke woede.
De reactie van de staat was voorspelbaar. Internet werd
afgesloten, telefoonverkeer beperkt. Veiligheidstroepen grepen hard in. Doden
en arrestaties volgden. Tegelijk probeerde de overheid het protest te framen
als buitenlandse sabotage.
De rol van buitenlandse leiders
De zoon van de voormalige sjah, Reza Pahlavi, riep Iraniërs in 2025 al op tot actie. Hij sprak over ‘straatprotesten en landelijke stakingen’ en
stelde dat het repressieapparaat ‘uit elkaar valt’. Volgens hem is een
‘nationale opstand’ voldoende om de ‘nachtmerrie voorgoed te beëindigen’.
Ook buiten Iran klonken oproepen. De Israëlische premier
Benjamin Netanyahu richtte zich rechtstreeks tot de Iraanse bevolking met de
woorden: ‘Ik geloof dat de dag van jullie bevrijding nabij is.’ Hij verwees
daarbij naar de naam van een militaire operatie, ‘Rijzende Leeuw’, en naar een
bijbeltekst: ‘Zie, een volk staat op als een grote leeuw, het richt zich op als
een jonge leeuw.’ Zulke uitspraken werken dubbel. Ze geven demonstranten morele
steun, maar leveren het regime ook munitie om protest als buitenlandse
inmenging af te schilderen.
1979 en nu: overeenkomsten en verschillen
Vergelijkingen met 1979 liggen voor de hand, maar gaan
slechts deels op. Net als toen is er brede onvrede. Net als toen is er
economische druk en politieke uitputting. Het verschil zit in leiderschap. In
1979 was er één figuur die het verschil maakte: Ruhollah
Khomeini. Vandaag ontbreekt zo’n centrale figuur binnen
Iran. Woede alleen is
niet genoeg. Zonder een duidelijk alternatief blijft een
revolutie
richtingloos.
Iran is geen land van plotselinge crises. Het is een land
waarin geschiedenis zich opstapelt. 1953, 1979, 2009, 2022 en nu. Elke episode
laat sporen na. Elke generatie draagt het gewicht van de vorige.
De huidige protesten zijn geen eindpunt en geen beginpunt.
Ze vormen een volgende fase in een langdurige strijd over macht, legitimiteit
en toekomst. Wie
Iran wil begrijpen, moet accepteren dat verandering hier
zelden snel gaat, en nooit zonder risico.
Steun De Dagelijkse Standaard!
De overheid probeert kritische stemmen het zwijgen op te leggen, online en offline. Wij laten ons niet blokkeren! Help ons om de macht te blijven controleren. Steun ons via BackMe of maak uw bijdrage over op NL95RABO0159098327 t.n.v. Liberty Media. En let op: als u ons via BackMe steunt, krijgt u gratis en voor niets elke dag onze exclusieve SubStack-column zo, hop, in uw email inbox!