Afbeelding gemaakt met Gemini AI van Google

AOW en kleine pensioenen zonder aangiftebrief: waarom je in 2026 nog over 2021 tot en met 2025 belasting kunt terugvragen

Economie•

Wilt u DDS vaker zien?

Stel DDS in als voorkeursbron op Google.

Voeg DDS toe op Google
Volg ons op Google Nieuws
Wie naast zijn AOW één of meer kleine aanvullende pensioenen ontvangt, krijgt niet altijd een aangiftebrief van de Belastingdienst. Toch kan er bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een deel van je heffingskortingen onbenut blijven terwijl je pensioenfonds wél loonheffing inhoudt, zodat je in 2026 nog over 2021 tot en met 2025 geld kunt terugvragen.
Wie geen aangiftebrief krijgt, gaat er misschien van uit dat er niets terug te halen valt. Op de voorlichtingspagina over aangifte doen met AOW en een klein pensioen wijst de Belastingdienst erop dat je bij meerdere uitkeringen mogelijk je heffingskortingen niet volledig gebruikt in de maandelijkse loonheffing. Die te veel betaalde belasting krijg je alleen terug door zelf belastingaangifte te doen.
Hoe ontstaat dat verschil tussen je maandelijkse betaalspecificaties en de eindafrekening? Volgens de toelichting op de heffingskortingen in 2026 houdt een uitkeringsinstantie bij de maandelijkse loonheffing rekening met zowel de algemene heffingskorting als de (alleenstaande)ouderenkorting, mits je bij die instantie de loonheffingskorting hebt aangezet.
Voor wie het hele kalenderjaar 2026 de AOW-leeftijd heeft, bedraagt de algemene heffingskorting op grond van artikel 8.10 (in samenhang met de artikelen 8.3 tot en met 8.6) en 8.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 maximaal €1.556 tot een verzamelinkomen van €29.736 (daarboven bouwt deze af met 3,195% tot €0 vanaf €78.426) en de ouderenkorting maximaal €2.067 tot een verzamelinkomen van €46.002 (daarboven afbouw met 15% van het verzamelinkomen boven €46.002 tot €0 vanaf €59.782). Heb je recht op een AOW-uitkering voor een alleenstaande, dan komt daar de vaste alleenstaandeouderenkorting van €540 uit artikel 8.18 bij: samen €3.623 (samenwonend) of €4.163 (alleenstaand) aan belastingkortingen.

Waarom een deel van je €3.623 of €4.163 aan korting bij de SVB onbenut blijft en je pensioenfonds 17,85% inhoudt

Bij meerdere uitkeringen of inkomens tegelijk mag je de loonheffingskorting maar bij één uitbetaler laten toepassen. Gepensioneerden met een klein aanvullend pensioen zetten die korting vaak aan op hun AOW-uitkering bij de SVB (wie twijfelt bij welke uitbetaler de korting het gunstigst staat, kan op de site van de Belastingdienst het hulpmiddel Waar pas ik loonheffingskorting toe met AOW? invullen).
In de eerste belastingschijf voor het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) geldt in 2026 voor wie het hele jaar de AOW-leeftijd heeft een gecombineerd tarief van 17,85% (tot en met €38.883 bij geboorte op of na 1 januari 1946 volgens artikel 2.10 lid 1 Wet IB 2001, en tot en met €41.123 bij geboorte vóór 1 januari 1946 volgens artikel 2.10a lid 1). Over alleen je AOW-uitkering is dat belastingbedrag lager dan je totale heffingskorting van €3.623 of €4.163: de SVB houdt daardoor €0 loonheffing in, maar het ongebruikte deel van je korting blijft liggen terwijl je pensioenfonds op het kleine pensioen 17,85% inhoudt.
Stel dat een samenwonende AOW-gerechtigde (geboren op of na 1 januari 1946, heel 2026 de AOW-leeftijd, zonder andere inkomsten of aftrekposten) in 2026 €14.000 bruto AOW ontvangt met loonheffingskorting en €4.000 bruto uit twee kleine aanvullende pensioenen zonder loonheffingskorting. Over €14.000 AOW is 17,85% belasting gelijk aan €2.499. Van de €3.623 aan gecombineerde heffingskorting (€1.556 plus €2.067) gebruikt de SVB €2.499 om de inhouding op €0 te zetten; €1.124 aan korting blijft bij de SVB onbenut, terwijl de pensioenfondsen op de €4.000 aan kleine pensioenen 17,85% (€714) inhouden.
Doe je na afloop van het jaar aangifte inkomstenbelasting, dan telt de fiscus het totale box 1-inkomen van €18.000 bij elkaar op (€3.213 belasting vóór kortingen) en trekt daar €3.623 aan heffingskortingen vanaf, volgens artikel 8.8 Wet IB 2001 begrensd tot €0 verschuldigde belasting. Daardoor krijg je in dit rekenvoorbeeld de volledige €714 terug (de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw die op de pensioenen is ingehouden, krijg je daarmee niet terug). Wie na het bereiken van de AOW-leeftijd een lager verzamelinkomen heeft, heeft bovendien een lagere inkomensafhankelijke drempel voor de aftrek van specifieke zorgkosten en kan niet-vergoede zorgkosten daardoor onder voorwaarden eerder via de aangifte aftrekken.

In 2026 nog over 2021 tot en met 2025 terugvragen en eerst als proef invullen vóórdat je instuurt

Heb je de afgelopen jaren met AOW en een klein pensioen geen aangifte gedaan, dan kun je volgens de Belastingdienst (en artikel 45 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001) tot 5 jaar terug belasting terugvragen: in 2026 vraag je dus nog terug over de jaren 2021 tot en met 2025 (voor 2021 tot en met 31 december 2026). Wanneer je je aangifte in Mijn Belastingdienst invult, zie je meteen of je geld terugkrijgt of moet betalen; pas als je de aangifte instuurt, doe je daadwerkelijk aangifte en kun je het dus eerst als proef invullen.
Volgens de belastingberekening in 2026 en artikel 9.4 lid 1 onderdeel a en lid 5 Wet IB 2001 volgt een teruggaaf als het bedrag meer dan €18 is, en legt de fiscus, als je geen aangifte doet en geen box 3-plicht hebt, geen aanslag op voor bedragen van €58 of minder (op de AOW-pagina staat dat je verplicht bent de aangifte in te sturen als je €58 of meer moet betalen; bereik je in het kalenderjaar de AOW-leeftijd en bestaat je verzamelinkomen uitsluitend uit AOW, dan blijft een aanslag volgens artikel 9.4 lid 3 onderdeel a achterwege).

Drie situaties waarin je voorlopige aanslag verandert zodra je de AOW-leeftijd bereikt

Bereik je dit jaar de AOW-leeftijd en ontving je maandelijks een teruggaaf via een voorlopige aanslag (bijvoorbeeld voor hypotheekrenteaftrek), dan kan de Belastingdienst die voorlopige aanslag stopzetten omdat je inkomen na de AOW-leeftijd nog onbekend is (zodra je je nieuwe inkomsten weet, vraag je weer een voorlopige aanslag aan; loopt je bestaande voorlopige aanslag door, controleer dan het geschatte jaarinkomen). Kreeg je via de voorlopige aanslag alleen de algemene heffingskorting maandelijks uitbetaald (geboren vóór 1 januari 1963, artikel 8.9 Wet IB 2001), dan zet de Belastingdienst die in de maand waarin je de AOW-leeftijd bereikt altijd vanzelf stop omdat je vanaf de AOW-leeftijd zelf voldoende inkomen hebt om de algemene heffingskorting op toe te passen; en moest je over je eerste AOW-jaar juist belasting bijbetalen, dan kan het jaar erna een te betalen voorlopige aanslag volgen (in één keer of in maandelijkse termijnen tot het einde van het lopende jaar te voldoen en op verzoek te wijzigen volgens artikel 9.5 lid 1).
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op Facebook.
Ga verder met lezen
loading
Dit vind je misschien ook leuk
Laat mensen jouw mening weten

Loading