Als je naast je
AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank een aanvullend
pensioen of loon ontvangt, lijkt het vaak voldoende om de loonheffingskorting bij één uitbetaler aan te zetten. Toch moeten veel gepensioneerden na hun
belastingaangifte bijbetalen. Wie heel 2026 de AOW-leeftijd heeft en uit AOW, pensioen en eventueel loon samen €45.000 ontvangt, moet volgens het rekenvoorbeeld van de Belastingdienst na de aangifte €1.205 bijbetalen doordat het deel boven €38.883 in de tweede belastingschijf valt.
De oorzaak ligt bij de maandelijkse inhouding: de SVB, je pensioenfonds en een eventuele werkgever weten niet van elkaar welke andere inkomsten je hebt. Elke instantie houdt alleen loonheffing in over het bedrag dat zij zelf uitbetaalt. Daardoor zorgen
meerdere inkomsten naast je AOW in 2026 ervoor dat je opgetelde jaarinkomen bij de aangifte deels in een hogere tariefschijf belandt dan waar de losse uitbetalers rekening mee hielden.
Het rekenvoorbeeld bij een volledig AOW-jaar in 2026: €1.205 bijbetalen bij €45.000 inkomen
Voor iedereen die heel 2026 de AOW-leeftijd heeft en is geboren op of na 1 januari 1946, bedraagt het
belastingtarief in de eerste schijf in 2026 17,85 procent tot en met €38.883 (voor wie is geboren vóór 1 januari 1946 loopt die eerste schijf van 17,85 procent tot en met €41.123). Komt je totale inkomen daarboven, dan betaal je in de tweede schijf tot en met €78.426 een tarief van 37,56 procent over het meerdere, en boven €78.426 in de derde schijf 49,50 procent.
Dat grote verschil tussen 17,85 procent en 37,56 procent ontstaat doordat je vanaf de AOW-leeftijd in de eerste schijf geen AOW-premie meer betaalt, terwijl in de tweede schijf het reguliere tarief geldt. Zolang je AOW en je aanvullend pensioen afzonderlijk onder €38.883 blijven, houden de SVB en het pensioenfonds ieder slechts 17,85 procent in.
De Belastingdienst rekent dit voor bij een gepensioneerde die heel 2026 de AOW-leeftijd heeft en uit AOW, pensioen en loon samen €45.000 ontvangt. De afzonderlijke uitbetalers houden elk 17,85 procent in, samen €8.032. Bij de aangifte telt de Belastingdienst alles op tot €45.000: over de eerste €38.883 geldt 17,85 procent, maar over de €6.117 daarboven geldt 37,56 procent uit schijf 2, zodat de totale belasting €9.237 bedraagt en je €1.205 (€9.237 min €8.032) moet bijbetalen. Heffingskortingen laat de Belastingdienst in dit voorbeeld buiten beschouwing, dus je eigen bedrag kan anders uitvallen.
Wat er gebeurt als je in de loop van 2026 de AOW-leeftijd bereikt
Bereik je pas in de loop van 2026 de AOW-leeftijd, dan betaal je nog wel AOW-premie over de maanden vóór de maand waarin je de AOW-leeftijd bereikt. Daarom wordt
de belasting in het eerste AOW-jaar in de eerste schijf tot en met €38.883 berekend met een aangepast tarief op basis van je AOW-ingangsmaand.
In een ander rekenvoorbeeld van de Belastingdienst bereikt iemand in juni 2026 de AOW-leeftijd met €45.000 aan AOW, pensioen en loon. De Belastingdienst rekent daarin met een aangepast tarief in de eerste schijf van 25,31 procent en gaat ervan uit dat de uitbetalers samen €11.416 inhouden. Bij de aangifte geldt 25,31 procent tot en met €38.883 en 37,56 procent over de €6.117 boven €38.883, wat neerkomt op €12.138 totale belasting en €722 (€12.138 min €11.416) bijbetalen.
Waarom ook één loonheffingskorting boven €29.736 te hoog kan uitvallen
Naast de schijfgrens speelt de afbouw van de algemene heffingskorting mee. Je mag
de loonheffingskorting op maximaal één inkomen toepassen, omdat je bij twee uitbetalers tegelijk te veel korting ontvangt. Maar ook als je de korting bij één uitbetaler aanzet, berekent die instantie de korting uitsluitend op basis van het bedrag dat zij zelf uitbetaalt.
Voor wie heel 2026 de AOW-leeftijd heeft, bedraagt
de maximale algemene heffingskorting in 2026 €1.556 tot een verzamelinkomen van €29.736 (tegenover €3.115 vóór de AOW-leeftijd). Tussen €29.736 en €78.426 daalt deze korting met 3,195 procent van het deel boven €29.736, tot €0 vanaf €78.426. Past de SVB op je AOW de volle €1.556 toe terwijl je aanvullend pensioen je totale verzamelinkomen boven €29.736 brengt, dan ontvang je gedurende het jaar te veel heffingskorting.
Hoe je met de loonheffingskorting of een voorlopige aanslag bijbetalen voorkomt
De loonheffingskorting geldt per persoon en hangt niet af van een fiscale partner. Met het online hulpmiddel Loonheffingskorting bij AOW en andere inkomens kun je nagaan bij welke uitbetaler je de korting het beste aanzet, of dat je haar bij alle uitbetalers laat stopzetten en pas achteraf via de aangifte laat verrekenen.
Wil je niet achteraf in één keer bijbetalen, dan kun je met DigiD via Mijn Belastingdienst een voorlopige aanslag aanvragen. Daarmee betaal je het verschil in het lopende jaar vooruit, in één keer of in maandelijkse termijnen tot het einde van het jaar; hoe eerder in het jaar je de voorlopige aanslag aanvraagt, over hoe meer maanden het bedrag wordt verdeeld.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.