De kans dat een huishouden in energiearmoede leeft, verschilt sterk per gemeente. Landelijk gaat het naar schatting om 6 procent van alle huishoudens, maar in verschillende gemeenten ligt het percentage ruim boven de 10 procent. Vaals voert de lijst aan met 13,5 procent.
Ook Heerlen, Rotterdam en Enschede hebben een opvallend hoog aandeel huishoudens dat een laag inkomen combineert met hoge energiekosten of een energetisch slechte woning. Dat blijkt uit
de nieuwe gemeentelijke cijfers van CBS en TNO.
De cijfers zijn voorlopige schattingen voor 2025. Toch maken ze duidelijk dat energiearmoede geen gelijkmatig verdeeld probleem is. De kwaliteit van woningen, inkomens, woningbezit en lokale omstandigheden spelen allemaal een rol.
Deze gemeenten zitten het hoogst
Vaals staat met 13,5 procent bovenaan. Daarna volgen onder meer:
-
Heerlen: 12,1 procent;
-
Rotterdam: 11,4 procent;
-
Enschede: 11,3 procent;
-
Arnhem: 10,1 procent;
-
Amsterdam: 9,9 procent;
-
Almelo: 9,7 procent;
-
Oldambt: 9,7 procent;
-
Den Haag: 9,4 procent;
-
Kerkrade: 9,4 procent;
-
Achtkarspelen: 9,3 procent;
-
Leeuwarden: 9,2 procent;
-
Maastricht: 9,1 procent.
In Vaals gaat het naar schatting om meer dan twee keer het landelijke aandeel. Ook in delen van Zuid-Limburg, Noordoost-Groningen en grotere steden komt energiearmoede relatief vaak voor.
Dat wil niet zeggen dat iedere inwoner van deze gemeenten een extreem hoge
energierekening heeft. Het percentage gaat om huishoudens die volgens de gebruikte criteria onvoldoende financiële ruimte hebben in combinatie met hoge energielasten of een woning met een lage energetische kwaliteit.
Waarom zijn de regionale verschillen zo groot?
Een belangrijke factor is de woningvoorraad. Oudere woningen zijn gemiddeld moeilijker en duurder te verwarmen dan moderne, goed geïsoleerde huizen. Wanneer een relatief groot deel van de inwoners een laag inkomen heeft, kan die combinatie snel tot problemen leiden.
Ook het soort woningbezit speelt mee. Huurders zijn voor grote verduurzamingsmaatregelen afhankelijk van hun verhuurder. Huiseigenaren kunnen in theorie zelf investeren, maar hebben niet altijd voldoende spaargeld of leenruimte. Vooral mensen met een laag inkomen en een oude koopwoning kunnen daardoor vastlopen.
Verder zijn
energieprijzen niet het enige probleem. Vaste leveringskosten zijn in 2025 toegenomen. Deze kosten moeten ook worden betaald wanneer een huishouden het energieverbruik al sterk heeft teruggebracht.
Het nationale aantal huishoudens met een laag inkomen en hoge energiekosten steeg volgens CBS en TNO van 385.000 in 2024 naar 410.000 in 2025. De gemiddelde betaalbaarheidskloof kwam uit op 624 euro per jaar.
Niet iedere goedkope woning is werkelijk goedkoop
De regionale cijfers zijn ook relevant voor woningzoekenden. Een woning met een relatief lage huur of koopprijs kan door hoge energiekosten alsnog duur uitpakken.
Wie een woning bezichtigt, doet er daarom goed aan het energielabel, het type verwarming en het historische verbruik op te vragen. Het verbruik van de vorige bewoner is geen perfecte voorspelling: een groot gezin verbruikt bijvoorbeeld meer dan één persoon. Het geeft wel een aanwijzing over de orde van grootte.
Vraag daarnaast welke delen van de woning zijn geïsoleerd. Alleen dubbel glas zegt nog weinig over het dak, de vloer, de gevel en de kierdichting. Een woning kan op papier enkele verbeteringen hebben, terwijl de maandelijkse verwarmingskosten nog steeds hoog zijn.
Bij een koopwoning moeten toekomstige verduurzamingskosten worden meegenomen in het totale budget. Een lager bod helpt weinig wanneer kort daarna tienduizenden euro’s nodig zijn voor glas, isolatie en verwarming.
Lokale hulp verschilt per gemeente
Gemeenten kunnen inwoners helpen met energiefixers, kleine isolatiemaatregelen, witgoedregelingen, bijzondere bijstand of lokale fondsen. Niet iedere gemeente hanteert dezelfde voorwaarden. Een huishouden kan daarom het beste rechtstreeks op de gemeentelijke website controleren welke regelingen beschikbaar zijn.
Ook woningcorporaties voeren verduurzamingsprogramma’s uit. Huurders die structureel last hebben van tocht, vocht of hoge stookkosten kunnen dit schriftelijk melden. Wanneer meerdere woningen in hetzelfde complex dezelfde problemen hebben, kan gezamenlijk optreden helpen om het probleem zichtbaar te maken.
De ranglijst is uiteindelijk meer dan een verzameling percentages. Achter ieder cijfer zitten huishoudens die soms kiezen tussen een warm huis en andere noodzakelijke uitgaven. Dat Vaals op 13,5 procent staat en verschillende grote steden rond of boven de 10 procent uitkomen, laat zien dat landelijke maatregelen alleen mogelijk niet voldoende zijn. De plaats waar iemand woont, kan sterk bepalen hoe zwaar de energierekening op de portemonnee drukt.