Afbeelding gemaakt met ChatGPT van OpenAI

Ex-vriendin claimt na 17 jaar erfenis via testament uit 2006, maar vier woorden kosten haar alles

Economie•

Wilt u DDS vaker zien?

Stel DDS in als voorkeursbron op Google.

Voeg DDS toe op Google
Volg ons op Google Nieuws
Een vrouw die in 2008 na een relatie van ongeveer vijf jaar uit elkaar ging met haar toenmalige vriend, claimde zeventien jaar later, na zijn plotselinge overlijden tijdens een vakantie in Cuba, tevergeefs zijn volledige nalatenschap. Dat blijkt uit een vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland van 30 september 2026 dat op 16 oktober 2026 is gepubliceerd. Hoewel de man een nieuw concept-testament uit mei 2008 nooit bij de notaris had ondertekend, oordeelt de rechter dat de ex-vriendin door de vier woorden “mijn vriendin en levenspartner” in het testament uit 2006 geen enkel recht op de erfenis heeft en dat alles naar zijn enige dochter gaat.
De zaak laat zien hoe riskant een ongewijzigd testament kan zijn na het einde van een ongehuwde samenwoning. De man, geboren in 1966, had uit een eerdere relatie een dochter die op 13 maart 2002 werd geboren. Vanaf omstreeks 2003 kreeg hij een relatie met een nieuwe vriendin, met wie hij op 14 februari 2005 een notarieel samenlevingscontract sloot en een dag later ging samenwonen in een gezamenlijk gekochte woning.
Op 3 maart 2006 liet de man bij de notaris een testament opstellen waarin hij aan zijn toen bijna vierjarige dochter alleen enkele persoonlijke roerende zaken legateerde. Tot enig erfgename van zijn gehele nalatenschap benoemde hij zijn toenmalige partner, voorafgegaan door de aanhef “mijn vriendin en levenspartner”. Wel nam hij een tweetrapsmaking op waarbij zijn dochter zou erven wat er bij het overlijden van de vriendin nog over was, maar die bepaling zou vervallen zodra de vriendin zelf kinderen achterliet of bij testament over haar nalatenschap beschikte.

Een concept-testament zonder handtekening telt niet

In 2008 liep de relatie op de klippen. Op 17 maart 2008 werd het samenlevingscontract bij notariële verdelingsakte ontbonden en werd het huis aan de man toegedeeld. Bijna twee maanden later, op 13 mei 2008, stelde de notaris in opdracht van de man een concept-testament op waarin alle eerdere testamenten werden herroepen en zijn dochter tot enig erfgenaam werd benoemd, maar de man ondertekende dat concept nooit.
Ergens tussen 2015 en 2017 kreeg de man een nieuwe relatie en trok hij bij zijn nieuwe partner in. Zij kreeg in de eerste maanden van 2023 te horen dat zij niet meer beter zou worden. In april 2025 lieten ze hun partnerschap registreren, een maand later overleed zij. Via haar testament kreeg de man recht op een veertiende deel van haar woning. Op 11 juli 2025 stierf de man zelf, onverwacht en ver van huis: hij was op vakantie in Cuba. Volgens de dochter probeerde de ex-vriendin daarna buiten haar om een verklaring van erfrecht te krijgen. De ex-vriendin vond dat zij op grond van het testament uit 2006 de enige erfgenaam was. De dochter stapte daarop naar de rechter.

Waarom artikel 4:52 BW samenwoners niet automatisch redt

Wie getrouwd is of een geregistreerd partnerschap heeft en later gaat scheiden, wordt automatisch beschermd door artikel 4:52 van het Burgerlijk Wetboek: een beschikking ten voordele van de echtgenoot of geregistreerde partner vervalt bij een echtscheiding automatisch, tenzij uit het testament het tegendeel blijkt. Voor ongehuwd samenwonenden zonder trouwbeloften geldt die automatische schrapping niet bij ontbinding van het samenlevingscontract.
Bovendien bepaalt artikel 4:42, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek dat een uiterste wilsbeschikking uitsluitend persoonlijk bij een nieuwe uiterste wil kan worden herroepen, zodat het niet-ondertekende concept uit mei 2008 niets veranderde. In de rechtszaak stelde de ex-vriendin primair dat “mijn vriendin en levenspartner” slechts een beschrijving was en geen voorwaarde, en betoogde zij subsidiair met WhatsApp-berichten dat de liefde, vriendschap en emotionele verbondenheid nooit waren geëindigd.

Hoe vier woorden in de akte de dochter alsnog redden

De rechtbank verwerpt beide stellingen. Ze legt het testament uit met artikel 4:46, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek: de rechter kijkt naar wat de man met zijn testament kennelijk wilde regelen en naar de situatie waarin hij het opstelde. Door vóór haar naam uitdrukkelijk “mijn vriendin en levenspartner” te plaatsen, heeft de erflater volgens de rechter de samenlevingsrelatie uit 2006 als uitgangspunt genomen; die toevoeging zou volgens de rechtbank zinloos zijn geweest als de man er geen doel mee had gehad. Daarom geldt de erfstelling alleen voor de periode waarin zij zijn vriendin en levenspartner was.
Ook de WhatsApp-berichten redden haar niet. De rechtbank wijst erop dat hun samenleving al in 2008 eindigde, dat de man een nieuwe relatie kreeg, bij die partner introk en in april 2025 een geregistreerd partnerschap aanging, én dat op de zitting bleek dat de ex-vriendin zelf ook een nieuwe relatie was aangegaan en kinderen heeft gekregen. Had het testament uit 2006 wel gegolden, dan had de dochter ook aan de tweetrapsmaking weinig gehad: die vervalt als de ex-vriendin bij haar eigen overlijden kinderen achterlaat.
Omdat het testament uit 2006 volgens de rechtbank geen werking meer heeft, geldt het versterferfrecht en erft de dochter op grond van artikel 4:10, eerste lid, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek als enig kind de gehele nalatenschap. De ex-vriendin moet €3.062,02 aan proceskosten betalen (€153,02 dagvaarding, €1.414,00 griffierecht, €1.306,00 advocaatsalaris en €189,00 nakosten); de door de dochter geëiste volledige kostenvergoeding van €8.409,43 wijst de rechtbank af.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op Facebook.
Ga verder met lezen
loading
Dit vind je misschien ook leuk
Laat mensen jouw mening weten

Loading