Afbeelding gemaakt met Gemini AI van Google

Zoon haalt met gemachtigdenpas en als executeur €191.979,35 van moeders rekening en verliest bij de rechter ook zijn eigen een derde erfdeel

Economie•

Wilt u DDS vaker zien?

Stel DDS in als voorkeursbron op Google.

Voeg DDS toe op Google
Volg ons op Google Nieuws
Een zoon die sinds februari 2016 een gemachtigdenpas voor de bankrekening van zijn moeder had en na haar overlijden ook executeur was, moet in totaal €191.979,35 terugbetalen: €128.380,66 aan onverklaarde afschrijvingen vóór haar overlijden en €63.598,69 die hij ná haar dood voor zichzelf opmaakte. Omdat hij deze schuld aan de nalatenschap opzettelijk voor zijn broer en zus heeft verzwegen, verbeurt hij op grond van artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn eigen een derde aandeel in dat bedrag. De Rechtbank Midden-Nederland veroordeelt hem daarom om de volledige €191.979,35 af te dragen aan zijn broer en zus, die ieder €95.989,68 toegewezen krijgen.
Veel oudere ouders geven een van hun kinderen een bankmachtiging of een gemachtigdenpas om de dagelijkse betalingen te regelen wanneer zij zelf minder mobiel worden. Zolang niet op papier wordt vastgelegd waarvoor de pas mag worden gebruikt en er tijdens het leven van de ouder niemand meekijkt op de afschriften, kan bij het openvallen van de nalatenschap discussie ontstaan over contante opnames en pinbetalingen. Uit een vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 27 mei 2026 blijkt dat een kind met een gemachtigdenpas bij de rechter niet zomaar kan volstaan met de stelling dat de overleden ouder mondeling toestemming gaf om het geld op te maken.
In deze zaak overleed de moeder in 2022, nadat haar echtgenoot al in 1991 was overleden. In haar laatste testament van 8 november 2017 had zij haar drie kinderen ieder voor een gelijk deel (een derde) tot erfgenaam benoemd en een van haar twee zoons aangewezen als executeur; alle drie de kinderen aanvaardden de nalatenschap zuiver. Die zoon beschikte al sinds februari 2016 over een gemachtigdenpas van haar bankrekening, nadat hij volgens zijn zus haar eerdere bankmachtiging had beëindigd. Hun moeder leed aan de ziekte van Strümpell, zat in een rolstoel, verhuisde in maart 2017 naar een open afdeling van een verpleeghuis en verkocht in 2018 haar koopwoning.

Omkering van de bewijslast bij gebruik van een gemachtigdenpas

Toen de broer en zus na het overlijden van hun moeder de bankafschriften vanaf 1 januari 2017 opvroegen, berekenden zij dat er tijdens het leven van hun moeder voor €135.027,96 aan onverklaarde contante opnames, overboekingen en pinbetalingen van de rekening was gegaan. Normaal gesproken rust bij een vordering uit onrechtmatige daad volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de bewijslast op de eisende partij. Omdat de zoon echter sinds februari 2016 met de gemachtigdenpas haar geldzaken regelde en bijna dagelijks contact met haar had, terwijl zijn broer en zus geen zicht hadden op haar financiën, keert de rechtbank in dit geval op grond van de redelijkheid en billijkheid de bewijslast om: de feiten lagen vrijwel volledig in het domein van de gemachtigde zoon, zodat hij moest aantonen dat de uitgaven schenkingen waren, en de rechtbank stelde hoge eisen aan zijn onderbouwing.
De zoon voerde aan dat hij schulden had en dat zijn moeder hem haar pas liet gebruiken met de woorden "Maak het maar op" en "Doe er maar mee wat je ermee moet doen", omdat hij haar 'moederskindje' was. In 2019 nam hij onder meer een groot aantal keren €1.000 contant op; daarnaast pinde hij bij tankstations en restaurants. De rechtbank acht die verklaring ongeloofwaardig: zijn moeder was volgens zijn broer en zus erg zuinig en probeerde zelfs te sparen van haar kleine AOW en pensioen, en volgens zijn broer "zat" zij "er bovenop" zodra het over geld ging, er stond geen enkele schenking op papier, er was nooit aangifte schenkbelasting gedaan en tijdens de zitting verklaarde de zoon bovendien dat het zou kunnen dat zijn moeder altijd instemde met de uitgaven omdat zij het niet meer zo goed begreep.
Van het bedrag van €135.027,96 bracht de zoon €7.703,10 in mindering voor kosten die volgens hem voor zijn moeder zelf waren gemaakt: €5.318 bij de kapsalon in het verpleeghuis en €2.385,10 aan kleding. Omdat zijn broer en zus hun bezwaar niet in een berekening hadden uitgewerkt en alleen tegen vier kappersbedragen concreet verweer voerden, telt de rechtbank die vier bedragen weer bij de vordering op: €641,95 aan facturen die niet aan de bankafschriften te koppelen waren, €147,85 op 13 november 2019 bij een vestiging in een andere plaats toen moeder niet meer mobiel was, €132,50 op 9 maart 2022 toen zij corona had en €133,50 tien dagen vóór haar overlijden toen zij al aan bed gebonden was. Daarmee komt het bedrag dat de zoon vóór het overlijden onrechtmatig aan het vermogen van zijn moeder heeft onttrokken uit op €128.380,66 (€135.027,96 min €7.703,10 plus €641,95, €147,85, €132,50 en €133,50).

Geen verjaring na 5 jaar nu moeder zelf geen inzage had in de afschriften

De zoon probeerde een deel van de claim af te weren met een beroep op verjaring voor alle betalingen vóór 21 maart 2020, vijf jaar vóór de dagvaarding van 21 maart 2025. Ook dat verweer wijst de rechter af op basis van artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. De verjaringstermijn van vijf jaar bij een vordering tot schadevergoeding gaat pas lopen op de dag nadat de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon. Omdat het volgens de rechtbank zeer de vraag is of de moeder op de hoogte was van haar financiën (zij kon haar bankafschriften zelf niet inzien), begon de termijn van vijf jaar pas te lopen toen de broer en zus na haar overlijden inzage kregen in het betalingsverkeer.
Daarnaast haalde de zoon ook ná het overlijden van zijn moeder de rekening leeg. Op haar sterfdag stond er nog €75.354,13 op haar rekening; op 14 februari 2023 maakte de zoon €75.091,78 over naar zijn eigen bankrekening, terwijl er door tussentijdse bij- en afschrijvingen op die datum €76.242,13 had moeten staan. Na aftrek van €12.643,44 aan betaalde uitvaart- en notariskosten bleef er €63.598,69 over om onder de drie erfgenamen te verdelen. De zoon gaf dat volledige bedrag echter uit aan zijn eigen levensonderhoud, schoenen en kleding, waarbij hij verklaarde dat hij na het overlijden van zijn moeder uit wrok tegen zijn broer en zus had gehandeld.

Opzettelijk verzwijgen kost de zoon ook zijn eigen erfdeel

Bij elkaar opgeteld moet de zoon €191.979,35 (€128.380,66 plus €63.598,69) aan de nalatenschap vergoeden. Stel dat een erfgenaam voor een derde deel meedeelt in een vergoeding van €191.979,35 zonder dat de rechter een sanctie oplegt: in die rekenkundige vergelijking zou zijn eigen een derde aandeel €63.993,12 bedragen en zou hij per saldo twee derde (€127.986,23) aan de andere twee erfgenamen moeten betalen. Artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt echter dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen volledig verbeurt aan de andere deelgenoten.
Omdat een schadevergoedingsvordering op een van de erfgenamen zelf óók een goed van de nalatenschap is en de zoon deze vordering van €191.979,35 opzettelijk voor zijn broer en zus heeft verzwegen, verliest hij zijn volledige aandeel. Die vordering was het enige goed in de nalatenschap, dus per saldo krijgt hij niets. De rechtbank veroordeelt hem in de beslissing om aan zijn zus en zijn broer ieder de helft te betalen: €95.989,68 per persoon, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2025. In de samenvatting van het vonnis staat het afgerond op €95.989,67, in de eindbeslissing is het vastgesteld op €95.989,68. Daarbovenop moet hij op grond van artikel 706 Rv €3.433,21 aan beslagkosten betalen voor het conservatoir beslag op zijn bankrekening en twee auto's, plus €4.250,00 en €474,50 aan proceskosten.
Wel bevat het vonnis een financiële waarschuwing voor erfgenamen die zonder hard bewijs ook andere familieleden meedagvaarden. De broer en zus eisten namelijk ook €137.327,70 van hun neef, de zoon van hun broer, omdat er met de pas van oma was gepind op plekken waar autoshows plaatsvonden waarbij hij volgens zijn social media aanwezig was, en bij gespecialiseerde autozaken terwijl op zijn social media te zien was dat hij zich bezighield met het 'tunen' van auto's. De rechtbank wijst die claim af als onbewezen aannames: zelfs als de kleinzoon via zijn vader heeft meegeprofiteerd, maakt dat zijn handelen nog niet onrechtmatig. Daardoor moeten de broer en zus hoofdelijk €4.381,00 aan proceskosten aan hun neef betalen.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op Facebook.
Ga verder met lezen
loading
Dit vind je misschien ook leuk
Laat mensen jouw mening weten

Loading