Afbeelding gemaakt met Gemini AI van Google

Belastingdienst: geërfde lijfrentepolis van vóór 1992 naar de bank kost je het hele oude regime

Economie•

Wilt u DDS vaker zien?

Stel DDS in als voorkeursbron op Google.

Voeg DDS toe op Google
Volg ons op Google Nieuws
Wie na het overlijden van een ouder of partner als begunstigde een oude kapitaalverzekering met lijfrenteclausule van vóór 1 januari 1992 krijgt, mag dat vrijgevallen kapitaal bij een bank of beleggingsonderneming niet onderbrengen op een nabestaandenlijfrenterekening. Zet je het bedrag toch over naar een bankspaarrekening voor een direct ingaande lijfrente op je eigen naam, dan gaat het gunstige regime van vóór 1992 volledig verloren, zo staat in het op 15 oktober gepubliceerde kennisgroepstandpunt KG:070:2026:7.
Dat onderscheid raakt erfgenamen en nabestaanden die na een sterfgeval offertes opvragen en zien dat een geblokkeerde bankspaarrekening soms gunstiger lijkt dan een polis bij een verzekeraar. Voor een zogeheten Pre Brede Herwaarderingslijfrente, een lijfrenteverzekering die vóór 1992 is afgesloten en nog onder het overgangsrecht valt, gelden echter ruimere regels, bijvoorbeeld voor schenken en afkopen, dan onder de huidige wet.
Zodra de verzekerde ouder of partner overlijdt en de begunstigde de aanwijzing aanvaardt, komt het verzekerde kapitaal met de lijfrenteclausule vrij. Of je op dat moment kiest voor een verzekeraar of voor een bank bepaalt of die oude vrijheden behouden blijven of in één klap verdwijnen.

Waarom je bij de bank geen nabestaandenlijfrente kunt openen

De Kennisgroep Verzekeringsproducten en assurantiebelasting beantwoordde de vraag wat een begunstigde kan als een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule van vóór 1992 vrijvalt door het overlijden van de verzekerde, en die begunstigde met dat geld bij een bank of beleggingsonderneming een direct ingaande uitkering wil.
Volgens de fiscus stuit een nabestaandenlijfrente bij een bank op de letterlijke wettekst. Op grond van artikel 3.126a lid 4 onderdeel b van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan een bancaire nabestaandenlijfrente alleen worden geopend bij het overlijden van de verzekeringnemer van een bestaande lijfrenterekening of een lijfrentebeleggingsrecht, waarmee lid 3 van dat artikel specifiek de rekeninghouder bij een bank of beleggingsonderneming bedoelt.
Omdat de overledene een kapitaalverzekering bij een verzekeraar had en dus géén rekeninghouder van een bankspaarrekening was, is aan die wettelijke voorwaarde niet voldaan. Een nabestaandenlijfrente bij de bank zit er voor jou als begunstigde dus niet in, terwijl die vaak een kortere minimale looptijd heeft: vijf jaar voor een partner en twintig jaar voor een kind ouder dan 30.

Overstap naar banksparen wist het regime van vóór 1992 uit

Betekent dit dat je met het vrijgevallen kapitaal helemaal niet naar een bank kunt? Zolang je als begunstigde zelf in leven bent, mag je het kapitaal wel gebruiken voor een direct ingaande (tijdelijke) oudedagslijfrente op je eigen leven via artikel 3.126a lid 4 onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Aan die route hangt alleen een zwaar fiscaal gevolg. In Hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel O, lid 9 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 is bepaald dat de omzetting van een oude lijfrente van vóór 1992 in een bancaire lijfrenterekening telt als voortzetting van de oude aanspraak, maar dat je op het tijdstip van die omzetting wettelijk wordt geacht te hebben gekozen voor de nieuwe belastingregels.
Door die wettelijke bepaling vervalt het Pre Brede Herwaarderingsregime bij een overstap naar banksparen volledig en onherroepelijk. Alle bijzondere keuzemogelijkheden van een polis van vóór 1992, zoals het onder de oude voorwaarden schenken van termijnen aan een ander, ben je vanaf het moment van overboeken naar de bank kwijt.

Nog geen AOW-leeftijd? Dan zit je ruim twintig jaar vast

Bovendien wijst de kennisgroep op een tweede beperking voor elke begunstigde die zelf de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt. Omdat je bij de bank geen nabestaandenlijfrente maar een oudedagslijfrente op je eigen naam afsluit, gelden de strenge looptijdeisen voor oudedagslijfrenten uit artikel 3.126a lid 4 onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Een tijdelijke oudedagslijfrenterekening van minimaal vijf jaar (tot maximaal €27.192 per kalenderjaar in 2026 volgens onderdeel a onder 3°) mag pas ingaan na het kalenderjaar waarin je de leeftijd hebt bereikt die één jaar lager is dan je AOW-leeftijd, dus op zijn vroegst in het kalenderjaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt. Gaat de eerste uitkering vóór dat kalenderjaar in, dan moet de looptijd volgens onderdeel a onder 2° minstens twintig jaar bedragen plus het aantal jaren tot je AOW-leeftijd; in een eigen rekenvoorbeeld zit een vijftigjarige begunstigde met een AOW-leeftijd van 67 jaar bij de bank dus vast aan minstens 37 jaar uitkeren.
Houd daarnaast de wettelijke beslistermijn in de gaten die onder het kopje over overlijden op de lijfrentepagina van de Belastingdienst staat: de termijnen moeten uiterlijk op 31 december van het tweede jaar na het jaar van overlijden zijn vastgesteld. Bij een overlijden in 2024 is die grens dus 31 december van dit jaar. Controleer vóór het tekenen van een waardeoverdracht naar een bank altijd op de polis of het contract van vóór 1 januari 1992 dateert en leg een offerte van een verzekeraar naast de bankofferte.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op Facebook.
Ga verder met lezen
loading
Dit vind je misschien ook leuk
Laat mensen jouw mening weten

Loading