Bereikt je lijfrenteverzekering, lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht de einddatum, dan mag je het opgebouwde bedrag niet onbeperkt laten staan. Sinds 1 januari 2026 hangt de uiterste termijn volgens de
Wet inkomstenbelasting 2001 niet meer af van de einddatum in je contract: de eerste uitkering moet uiterlijk zijn gedaan op 31 december van het jaar na het jaar waarin je de
AOW-leeftijd plus 5 jaar bereikt. Laat je die termijn verlopen of koop je de lijfrente af, dan wordt het bedrag in één keer belast in box 1 en betaal je in veel gevallen daarnaast
20 procent revisierente. Koop je een kleine lijfrente tot en met €5.513 af, dan betaal je geen revisierente.
Wie rond de AOW-leeftijd ziet dat een lijfrente de einddatum bereikt, staat voor de keuze tussen de uitkeringen laten ingaan, de lijfrente omzetten in een andere lijfrente of het bedrag in één keer laten uitbetalen (afkopen). Daarbij luisteren zowel de uiterste beslistermijn als de jaarlijkse uitkeringsgrenzen in 2026 nauw.
Sinds 2026 telt je AOW-leeftijd plus 5 jaar, niet meer de einddatum in je contract
Tot en met 2025 had je na de einddatum van je lijfrente 1 volledig kalenderjaar de tijd om de lijfrente-uitkeringen in te laten gaan of de lijfrente om te zetten in een andere lijfrente. Bereikte een lijfrenteverzekering bijvoorbeeld op je 62e de einddatum en vergat je te kiezen, dan gold de lijfrente na dat jaar als afgekocht, met inkomstenbelasting én revisierente. Volgens de
toelichting bij de wetswijziging krijgt de
Belastingdienst jaarlijks zo'n 4.000 verzoeken om die termijn te verlengen.
Sinds 1 januari 2026 kijkt de wet niet meer naar die contractuele einddatum. De eerste lijfrentetermijn moet uiterlijk zijn uitgekeerd op 31 december van het kalenderjaar na het jaar waarin je de AOW-leeftijd plus 5 jaar bereikt. Bereik je de AOW-leeftijd plus 5 jaar bijvoorbeeld in 2032, dan moet de eerste uitkering uiterlijk op 31 december 2033 zijn gedaan. Is er dan nog niets uitgekeerd, dan geldt je lijfrente op 1 januari daarna als afgekocht. Omzetten in een andere lijfrente levert geen latere uiterste termijn op. Voor een lijfrente uit het oude regime (afgesloten vóór 2001) kan de oude regel nog gelden. In de
toelichting bij de aangifte noemt de Belastingdienst nog de oude termijn van 1 kalenderjaar na de einddatum, maar de wettekst is per 1 januari 2026 aangepast.
Heb je na een overlijden recht op uitkeringen uit een lijfrente voor nabestaanden, dan heb je het jaar van overlijden plus de 2 kalenderjaren na het overlijden de tijd om de lijfrente in te laten gaan. Die termijn is in 2026 niet veranderd. Bij een overlijden in 2026 heb je dus tot en met 31 december 2028 de tijd om de uitkeringen te laten starten. Heb je de lijfrente door bijzondere omstandigheden niet op tijd kunnen omzetten of niet op tijd kunnen laten ingaan, dan kun je bij de Belastingdienst een verzoek doen om de termijn te verlengen.
Wat er gebeurt bij te laat kiezen of afkopen: 52% loonheffing en 20% revisierente
Voldoet een lijfrente niet meer aan de fiscale voorwaarden — bijvoorbeeld doordat je de lijfrente schenkt, verkoopt, verpandt, beleent, niet tijdig laat ingaan of deblokkeert — dan vul je in je aangifte inkomstenbelasting de waarde van de lijfrenteverzekering of het lijfrentebeleggingsrecht of het tegoed van de lijfrenterekening in. Als de uitkeringen nog niet zijn ingegaan, vul je
minimaal het totaalbedrag van alle betaalde premies of stortingen in, maar dat minimale totaalbedrag geldt niet als je de lijfrente alleen niet tijdig hebt laten ingaan (in dat geval vul je de waarde van de lijfrente in). Koop je een lijfrente af, dan betaal je inkomstenbelasting over de afkoopsom die je krijgt. Niet-afgetrokken premies of stortingen mag je in mindering brengen: tot en met 2009 volledig, en vanaf 2010 voor maximaal €2.269 per kalenderjaar voor al je lijfrentecontracten samen (of per verzekering als die vóór 14 september 1999 is afgesloten).
Moet je over een afkoopsom revisierente betalen — meestal gaat het dan om lijfrenten die je na 31 december 1991 hebt afgesloten — dan wordt op deze afkoopsom door de verzekeraar, bank of beleggingsonderneming volgens een vast tarief van 52 procent loonheffing ingehouden. Deze ingehouden loonheffing verreken je in je aangifte inkomstenbelasting. Daarnaast betaal je standaard 20 procent revisierente over de afkoopsom, het opgenomen tegoed of de waarde van de lijfrente.
Stel dat je in 2026 een lijfrente met een waarde van €20.000 laat afkopen die je vóór 2016 (maar na 31 december 1991) hebt afgesloten en waarvan je alle betaalde premies hebt afgetrokken. De bank of verzekeraar houdt dan bij de uitbetaling 52 procent loonheffing (€10.400) in en maakt €9.600 aan je over. In je aangifte inkomstenbelasting verreken je die €10.400 met de definitieve inkomstenbelasting die je in box 1 verschuldigd bent (afhankelijk van je totale inkomen in box 1 en je heffingskortingen), maar daarnaast betaal je 20 procent revisierente over €20.000, oftewel €4.000 extra.
Heb je een lijfrente afgekocht of gedeblokkeerd binnen 10 jaar na het einde van het kalenderjaar waarin je de lijfrente afsloot — zoals in het voorbeeld van de Belastingdienst een lijfrenteverzekering die op 1 januari 2016 is afgesloten en in 2026 wordt afgekocht, in tegenstelling tot een polis uit 2013 — dan kun je in de aangifte gebruikmaken van de tegenbewijsregeling, waardoor de revisierente lager kan uitvallen dan 20 procent.
Vrijstelling van revisierente bij een kleine lijfrente tot en met €5.513
Voor kleine bedragen kent de wet in 2026 de regeling afkoop kleine lijfrenten. Is de afkoopsom van je lijfrenteverzekering of de opname van je lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht in 2026 niet meer dan €5.513, dan hoef je geen revisierente te betalen. Op de afkoopsom van een kleine lijfrente houdt je verzekeraar of bank wel loonheffing in en betaal je inkomstenbelasting in box 1, maar géén 20 procent revisierente.
Er zijn drie situaties waarin op je jaaropgaaf €5.513 of minder staat, maar de regeling afkoop kleine lijfrenten tóch niet geldt en je wel revisierente betaalt. Ten eerste als de afkoopsom méér was dan €5.513, maar voor de loonheffing rekening is gehouden met niet-afgetrokken premies waardoor het bedrag op de jaaropgaaf €5.513 of lager is. Ten tweede als er op het moment van afkoop bij dezelfde verzekeraar, bank of beheerder van een beleggingsinstelling nog 1 of meer andere lijfrenten liepen waarvan de uitkeringen nog niet zijn ingegaan en het gezamenlijke bedrag van die waarde en je afkoopsom niet minder is dan €5.513. Ten derde als de lijfrente al was ingegaan en je al eerder een uitkering had ontvangen.
Daarnaast betaal je geen revisierente bij afkoop wegens langdurige arbeidsongeschiktheid als je op het moment van afkoop de AOW-leeftijd nog niet hebt bereikt, met een verklaring van een arts kunt aantonen dat je niet in staat bent en de komende 12 maanden niet in staat zult zijn om je hoofdberoep of hoofdwerkzaamheid volledig uit te voeren (of een beschikking of ander schriftelijk stuk hebt waaruit blijkt dat je periodieke uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid krijgt of gaat ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling of van een professionele verzekeraar), én het bedrag dat je in 2026 aan lijfrenten opneemt niet hoger is dan €51.440 (of niet hoger dan je gemiddelde inkomen over 2024 en 2025, waarbij het inkomen over 2024 en over 2025 elk voor maximaal €137.800 meetelt; over het deel boven de vrijstelling betaal je mogelijk wel revisierente).
Tijdelijke oudedagslijfrente in 2026: €27.192 bij verzekering én bij banksparen
Laat je de lijfrente volgens de regels uitkeren als een tijdelijke oudedagslijfrente — een uitkering die je minimaal 5 jaar lang ontvangt, die niet eerder ingaat dan het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt en die begint binnen 5 jaar na het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt — dan geldt in 2026 voor een lijfrenteverzekering en voor een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht
dezelfde grens: het jaarlijkse bedrag van de uitkeringen mag niet hoger zijn dan €27.192. In de toelichting bij de aangifte staat bij banksparen nog €26.781, maar dat was het bedrag van 2025.
Is het jaarlijkse bedrag van de uitkeringen uit een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht hoger dan €27.192, dan moet de uitkering minimaal 20 jaar lopen, min het aantal jaren dat je na het bereiken van je AOW-leeftijd met de uitkering begint, terwijl bij een lijfrenteverzekering boven €27.192 per jaar een levenslange oudedagslijfrente vereist is die doorloopt tot je overlijden.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.