Loopt je tijdelijke contract af en besluit je werkgever het niet te verlengen? Dan denk je misschien dat je gewoon met lege handen vertrekt. Dat is vaak niet zo. Sinds 1 juli 2015 moet een werkgever in de meeste gevallen een
transitievergoeding betalen als hij een tijdelijk contract niet verlengt.
Toch weten veel
werknemers dat niet. Vooral mensen met een eerste of korte baan gaan ervan uit dat een vergoeding alleen geldt bij
ontslag. Daardoor blijft geld liggen.
Wanneer heb je recht op een transitievergoeding?
Je hebt recht op een transitievergoeding als het initiatief voor het einde van je contract bij je werkgever ligt. Dat is zo bij ontslag, maar ook als je werkgever je tijdelijke contract niet verlengt. Het maakt niet uit hoe lang je in dienst was. Ook na een contract van een paar maanden heb je recht op een vergoeding.
Wanneer niet?
- je neemt zelf ontslag of je weigert een aanbod om je contract te verlengen;
- je wordt ontslagen omdat je ernstig verwijtbaar hebt gehandeld;
- je contract eindigt omdat je de AOW-leeftijd bereikt;
- je bent jonger dan 18 en werkte gemiddeld 12 uur per week of minder;
- je werkgever is failliet.
Er is nog een uitzondering. Je werkgever hoeft niets te betalen als hij je de garantie geeft dat je binnen zes maanden weer bij hem aan de slag kunt, met een nieuw contract.
Hoeveel krijg je?
De transitievergoeding is een derde van je bruto maandsalaris per jaar dat je in dienst was. Voor een deel van een jaar krijg je naar verhouding een deel van dat bedrag. De vergoeding is in 2026 maximaal €102.000 bruto, of één bruto jaarsalaris als je meer verdient.
Heb je meerdere tijdelijke contracten achter elkaar gehad bij dezelfde werkgever? Dan tellen die samen, zolang er niet meer dan zes maanden tussen zat. Ook contracten bij een opvolgend werkgever voor vergelijkbaar werk kunnen meetellen.
De transitievergoeding is een brutobedrag. Je werkgever houdt er loonheffing op in, net als op je
salaris. Netto hou je dus minder over. Werk je parttime, dan wordt de vergoeding berekend over je eigen parttime salaris.
Rekenvoorbeeld
Stel: je werkt drie jaar op tijdelijke contracten bij dezelfde werkgever. Je verdient €3.000 bruto per maand. Je werkgever verlengt je laatste contract niet.
Je transitievergoeding is dan een derde van €3.000, dus €1.000, maal drie jaar. Dat is €3.000 bruto.
Werkte je er één jaar en zes maanden, dan wordt het €1.000 plus de helft daarvan: €1.500 bruto.
Dit is een rekenvoorbeeld. Met de officiële
rekenhulp transitievergoeding van de overheid bereken je je eigen bedrag.
Wat kun je nu doen?
- Kijk hoe je contract eindigt. Heeft je werkgever laten weten dat hij niet verlengt, dan ligt het initiatief bij hem.
- Tel je dienstjaren. Neem alle contracten mee met onderbrekingen van maximaal zes maanden.
- Reken het bedrag uit. Gebruik de rekenhulp en houd je loonstroken bij de hand.
- Controleer je eindafrekening. De transitievergoeding hoort op je laatste loonstrook of in een aparte betaling te staan.
- Vraag erom als het ontbreekt. Stuur je werkgever een brief of e-mail en vraag om uitbetaling. Bewaar een kopie.
Werkgever betaalt niet?
Betaalt je werkgever niet, neem dan snel contact op met het Juridisch Loket of je vakbond. Voor het opeisen van een transitievergoeding bij de rechter gelden korte termijnen. Wacht dus niet te lang als je werkgever niet reageert.
Neem je zelf ontslag of zeg je nee tegen een nieuw contract, dan vervalt je recht. Denk daar dus goed over na als je werkgever je een verlenging aanbiedt.