Wanneer bij een erfenis of schenking de één het levenslange vruchtgebruik krijgt en de ander de blote eigendom, splitst de Belastingdienst de waarde met een rekenrente van 6% en een leeftijdsfactor van 2 tot 16. In het rekenvoorbeeld voor een 43-jarige op €100.000 spaargeld telt €78.000 voor het vruchtgebruik en €22.000 voor de blote eigendom. Wie het vruchtgebruik van een woning of spaartegoed krijgt, mag in het huis wonen of de rente en opbrengsten ontvangen (waaronder volgens
artikel 18 lid 1 van de Successiewet 1956 ook een recht van gebruik en bewoning valt), terwijl het goed op papier van de blote eigenaar is. Bij een erfenis of schenking berekent de fiscus voor ieder een apart deel van de waarde.
Op de pagina over de
berekening van de waarde van vruchtgebruik en blote eigendom doorloopt de Belastingdienst voor een levensafhankelijk vruchtgebruik vier vaste stappen (wettelijke basis: artikel 21 lid 11 en 14 Successiewet 1956). In stap 1 vermenigvuldig je de volledige waarde van de goederen in onbezwaarde staat met 6%.
Volgens het overzicht
waarde van een erfenis voor de erfbelasting en artikel 21 lid 1, 3 en 5 Successiewet 1956 is die waarde in onbezwaarde staat voor een woning de WOZ-waarde van het jaar van verkrijging (2026) of het jaar erna (2027), voor spaargeld het saldo op de dag van overlijden en voor beursgenoteerde effecten de slotkoers op de laatste beursdag vóór het overlijden.
Hoe de leeftijdsfactor van 2 tot 16 de waarde verdeelt in de drie voorbeelden van de Belastingdienst
In stap 2 zoek je in de wettelijke tabel uit
artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956 (op de Belastingdienst-pagina onder het uitklapblok
De looptijd hangt af van het leven van 1 of meer personen) de factor op die hoort bij de leeftijd van de vruchtgebruiker op het moment dat het vruchtgebruik ingaat: jonger dan 20 jaar (16), 20 tot 30 (15), 30 tot 40 (14), 40 tot 50 (13), 50 tot 55 (12), 55 tot 60 (11), 60 tot 65 (10), 65 tot 70 (8), 70 tot 75 (7), 75 tot 80 (5), 80 tot 85 (4), 85 tot 90 (3) en 90 jaar of ouder (2). In stap 3 vermenigvuldig je het 6%-bedrag met die factor voor de waarde van het vruchtgebruik, en in stap 4 trek je die uitkomst af van de volledige waarde voor de blote eigendom (bij een vaste looptijd geldt een jarentabel uit artikel 6, met een maximum van 17 keer het jaarbedrag als het recht niet afhankelijk is van het leven van een persoon).
De Belastingdienst werkt deze levensafhankelijke berekening uit met drie rekenvoorbeelden op €100.000 spaartegoed (waarvan 6% gelijk is aan €6.000 per jaar). In Voorbeeld 1 krijgt Jan (43 jaar) levenslang het vruchtgebruik van €100.000 spaartegoed: bij 43 jaar (categorie 40 tot 50 jaar) hoort factor 13, waardoor de waarde van het vruchtgebruik voor Jan in dit voorbeeld €6.000 × 13 = €78.000 bedraagt en de waarde van de blote eigendom €100.000 min €78.000 = €22.000.
In Voorbeeld 2 en 3 krijgen Jaap (86 jaar) en Frits (76 jaar) samen het vruchtgebruik van €100.000 spaartegoed. Eindigt het vruchtgebruik bij het overlijden van de eerste vruchtgebruiker (Voorbeeld 2, artikel 7 lid 2), dan geldt de leeftijd van de oudste plus 5 jaar (86 + 5 = 91 jaar, factor 2): het vruchtgebruik is in totaal €12.000 waard (ieder €6.000) en de blote eigendom €88.000.
Eindigt het vruchtgebruik pas bij het overlijden van de laatste vruchtgebruiker (Voorbeeld 3, artikel 7 lid 1), dan geldt de leeftijd van de jongste min 5 jaar (76 − 5 = 71 jaar, factor 7): het vruchtgebruik is in dat voorbeeld in totaal €42.000 waard (Jaap en Frits ieder €21.000) en de blote eigendom €58.000.
Wat de voorbeelden weglaten: de vrijstellingen en schijftarieven van 2026 voor beide ontvangers
De drie voorbeelden tonen uitsluitend de berekende waarde vóór aftrek van de
vrijstellingen voor de erfbelasting in 2026. Iedere verkrijger trekt eerst zijn eigen vrijstelling af: bij een erfenis in 2026 is dat €828.035 voor een partner, €26.230 voor een kind of kleinkind, €62.110 voor een ouder en €2.769 voor overige verkrijgers (en bij schenking in 2026 kun je een kind belastingvrij schenken tot en met €6.908 per jaar en overige verkrijgers tot en met €2.769). Een kind dat in Voorbeeld 1 €22.000 aan blote eigendom erft, blijft door de kindvrijstelling van €26.230 dus op €0
erfbelasting.
Komt de berekende waarde van het vruchtgebruik of de blote eigendom wél boven de persoonlijke vrijstelling uit, dan gelden over het meerdere de
tarieven voor de erfbelasting in 2026 uit artikel 24 lid 1 Successiewet 1956: tot €158.669 betaalt een partner of kind 10%, een kleinkind 18% en een overige verkrijger 30% (en vanaf €158.669 respectievelijk 20%, 36% en 40%).
Waarom zelf vruchtgebruik behouden bij overdracht aan een kind later alsnog erfbelasting kan oproepen
Dragen ouders bij leven hun woning of spaargeld over aan een kind (of aan hun partner of een andere verwant tot en met de vierde graad of diens partner, artikel 10 lid 4 onder a Successiewet 1956) terwijl zij voor zichzelf het vruchtgebruik of bewoningsrecht tot hun overlijden behouden, dan belast artikel 10 lid 1 het goed bij overlijden alsnog als fictieve erfrechtelijke verkrijging voor de volle waarde in onbezwaarde staat op dat moment. Die heffing blijft volgens artikel 10 lid 3 en lid 4 onder b alleen achterwege als het genot meer dan 180 dagen vóór het overlijden is geëindigd, óf als de ouder elk jaar daadwerkelijk ten minste 6% van de waarde in onbezwaarde staat aan het kind heeft betaald; geldt artikel 10 wel, dan strekt volgens artikel 7 lid 1 en 3 het destijds door het kind opgeofferde bedrag (tot nihil) in mindering op de belaste waarde en strekt volgens artikel 7 lid 2 en 3 eerder betaalde overdrachts- of schenkbelasting (voor zover geen artikel 13 WBR gold) in mindering op de verschuldigde erfbelasting, telkens vermeerderd met 6% enkelvoudige rente vanaf de dag van betaling tot en met de dag van overlijden.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.