Voor veel Nederlanders was zomervakantie ooit vanzelfsprekend. Een paar weken naar Frankrijk, Spanje, Duitsland, Italië of gewoon een huisje in eigen land. Maar die vanzelfsprekendheid verdwijnt. Vakantie wordt steeds meer een luxe waarvoor gezinnen hard moeten rekenen. Volgens de nieuwste
ANWB Vakantiemonitor gaat deze zomer 52 procent van de Nederlanders in juli en augustus op reis. Vorig jaar was dat nog 57 procent. De ANWB schrijft dat geld in 2026 een duidelijke reden is om thuis te blijven: bijna één op de drie Nederlanders ziet door gestegen prijzen af van een zomervakantie.
Vakantie wordt een koopkrachtmeter
Dit is misschien wel de eerlijkste koopkrachtmeter die er is. Niet een CPB-tabel. Niet een gemiddelde inflatiegrafiek. Maar de vraag: kan een normaal gezin nog op vakantie?
Voor steeds meer mensen is het antwoord: niet vanzelfsprekend. Of alleen korter. Of dichterbij. Of buiten het hoogseizoen. Of helemaal niet.
Dat is pijnlijk. Vakantie is niet alleen luxe. Voor veel gezinnen is het de enige echte periode van rust in het jaar. Even weg uit werkdruk, school, zorg, stress en vaste lasten.
Automobilisten rekenen scherper
Ook mensen die wél op reis gaan, letten meer op kosten. De ANWB schrijft dat automobilisten hun reisgedrag aanpassen. Een deel zoekt voor vertrek uit waar goedkoop getankt of geladen kan worden, rijdt minder kilometers naar de bestemming of wil op locatie minder rijden.
Dat laat zien dat vakantie niet verdwijnt, maar verandert in een spreadsheet. Brandstof, tol, vignetten, laadkosten, boodschappen, campings, hotels en dagjes uit: alles moet worden meegerekend.
De middenklasse voelt dit hard
De groep die vakantie schrapt, bestaat niet alleen uit mensen met lage inkomens. Ook middeninkomens voelen de druk. Zij verdienen vaak te veel voor steun, maar te weinig om zorgeloos hogere prijzen te betalen.
Een gezin met kinderen zit vast aan dure schoolvakanties. Vliegtickets zijn duurder, accommodaties rekenen hoogseizoentarieven en eten buiten de deur is prijzig. Zelfs kamperen is niet meer automatisch goedkoop.
Den Haag noemt het koopkracht, gezinnen noemen het keuzes maken
Politiek wordt vaak gesproken over koopkrachtplaatjes. Maar gewone gezinnen ervaren koopkracht als concrete keuzes: wel of niet op vakantie, wel of niet uit eten, wel of niet een dagje pretpark, wel of niet nieuwe schoolspullen zonder stress kopen.
Als bijna één op de drie Nederlanders door prijzen afziet van zomervakantie, dan is dat een stevig signaal. Niet alles gaat “goed” omdat de inflatie wat lager is of omdat lonen stijgen. Veel vaste lasten zijn blijvend hoger.
Wat kun je doen?
Voor wie nog wil boeken: vergelijk totaalprijzen, niet alleen de eerste aanbieding. Kijk naar brandstof, tol, parkeerkosten, bagage, toeristenbelasting, boodschappen en annuleringsvoorwaarden. Overweeg reizen buiten juli en augustus, als school of werk dat toelaat.
Voor gezinnen die thuisblijven: maak het niet kleiner dan het is. Thuisblijven omdat vakantie te duur is, is geen persoonlijk falen. Het zegt iets over een economie waarin gewone ontspanning steeds duurder wordt.
Vakantie is geen zekerheid meer
De ANWB-cijfers laten zien dat zomervakantie voor minder Nederlanders vanzelfsprekend is. Geld is de grote spelbreker.
De kern is helder: een land waarin steeds meer werkende gezinnen vakantie moeten schrappen of inkorten, heeft een serieus koopkrachtprobleem.
De vakantie verdwijnt niet voor iedereen. Maar voor te veel Nederlanders wordt hij van jaarlijkse traditie tot financiële luxe.