Sabra en Chatila: wat gebeurde er nu echt?

Sabra en Chatila: wat gebeurde er nu echt?

Bij de dood van Ariel Sharon: een reconstructie van de gebeurtenissen in Sabra en Chatila, 16 –18 september 1982.

Naar aanleiding van de dood van Ariel Sharon op 11 januari 2014 wordt veelvuldig verwezen naar zijn rol bij de slachting in de Palestijnse vluchtelingenkampen in Sabra en Chatila in september 1982. In plaats van alleen beschuldigend zijn naam daarmee in verband te brengen, is het belangrijk de feiten te kennen om tot een goed oordeel te komen.

Reconstructie van de feiten

Op 25 september 1982 eiste een kwart miljoen demonstranten in Tel Aviv het aftreden van de regering Begin. De Israelische regering kwam onder grote druk te staan en stemde in met een onderzoek naar de ware toedracht van de moordpartijen in Sabra en Chatila. Premier Begin ging akkoord met de vorming van een onderzoekscommissie onder leiding van de voorzitter van het Israelische hooggerechtshof, Jitschak Kahan. De commissie bestond verder uit Aharon Barak, rechter bij het hooggerechtshof en Yona Efrat, een hoge generaal buiten-dienst, die vanwege zijn kennis van oorlogs- en legeraangelegenheden aan de commissie is toegevoegd. De commissie beschikte over een uitgebreid onderzoeksteam, geleid door de openbare aanklagers Dorith Beinisch en Edna Arbel. De commissie heeft zestig zittingen gehouden en hoorde 58 getuigen, onder wie enkele ministers en hoge officieren. Voorts had de commissie toegang tot de notulen van kabinetszittingen en geheime verslagen van het leger. De commissie publiceerde op 7 februari 1983 het eindrapport.

Achtergronden

In 1975 brak in Libanon een burgeroorlog uit, die volgde op gevechten tussen de christelijke milities onderling en de komst van meer dan 10.000 PLO-strijders. Deze PLO-strijdgroepen waren in 1970 en 1971 op gewelddadige wijze door koning Hoessein uit Jordanië verdreven. Met de komst van de PLO werd de Palestijnse aanwezigheid in Libanon aanzienlijk versterkt. De Libanese regering in Beiroet was te zwak om de PLO aan banden te leggen. Hierdoor kon de PLO vanuit Libanees grondgebied vrijelijk acties ondernemen op Noord-Israel. De PLO steunde de eisen van de Libanese moslims voor staatkundige en economische hervormingen en de moslims op hun beurt steunden de strijd van de PLO tegen Israel.

In 1975 vielen de Falangisten, een christelijke militie, een autobus met Palestijnse arbeiders aan. In januari 1976 werd de christelijke stad Damour door de PLO veroverd en vernietigd. De christelijke inwoners werden vermoord of vluchtten met duizenden tegelijk de stad uit. In augustus 1976 veroverden christelijke milities het Tel Zaatar-vluchtelingenkamp en vermoordden zij duizenden onschuldige Palestijnse burgers. Het verlies aan mensenlevens in deze burgeroorlog wordt op 100.000 geschat, waaronder veel kinderen.

Vanaf 1978 zag Israel zich door de vele bloedige aanslagen op zijn grondgebied genoodzaakt radicale maatregelen te nemen tegen de PLO-bases in Zuid-Libanon. In maart 1978 viel het Israelische leger daarom Zuid-Libanon binnen, verdreef de PLO uit dat gebied en bleef daar drie maanden. Ondertussen formeerde Bashir Gemayel, die later tot president van Libanon gekozen werd, een christelijke eenheidsmilitie, de Forces Libanaises. In de loop van 1981 escaleerde de situatie ernstig. Er braken gevechten uit tussen Syrische troepen en de falangistische Forces Libanaises, en tussen de PLO en Israel. Israel bombardeerde Palestijnse, maar ook Syrische doelen en als reactie hierop plaatste Syrië in de Bekaa-vallei Russische SAM-2 en SAM-6 raketten. Het was alleen aan de onvermoeibare inzet van Reagans speciale afgezant Philip Habib te danken dat er een bestand bereikt werd, dat bijna een jaar stand hield.

In juni 1982 hebben Palestijnse terroristen een moordaanslag gepleegd op Slomo Argov, de Israelische ambassadeur in Engeland. Israel zag hierin een daad van bestandschending en het Israelische leger begon aan een campagne die Vrede voor Galilea genoemd werd. De Israelische bedoeling was tweeledig: het verdrijven van alle PLO-strijders uit Libanon en het creëren van een Pax Hebraica met Libanon. De Israeli's hoopten op een stabiele en Israel goedgezinde regering en het vertrek van het Syrische leger uit Libanon.

De massamoord

Vanaf juni 1982 werd in Israel veel gediscussieerd over de rol van de christelijke Falangisten in de strijd in Libanon. Op 15 juni 1982 heeft het Israelische kabinet een besluit aangenomen dat het mogelijk maakte de Falangisten bij de campagne Vrede voor Galilea te betrekken. De Falangisten beschikten over 2.000 strijders en konden nog 3.000 extra strijders mobiliseren. De strijddoelen, die de Israeli's aan de Falangisten opdroegen, werden gecoördineerd door de Israelische bevelhebber in Libanon. De ervaringen tot 15 september 1982 waren bevredigend en de Falangisten maakten geen burgerslachtoffers.

Op 14 september 1982 werd de zojuist gekozen christelijke president van Libanon, Bashir Gemayel, vermoord door een Palestijnse bom. Hierdoor ontstond een machtsvacuüm en Israel zag zich genoodzaakt West-Beiroet in te trekken. Tijdens de opmars op 14 en 15 september werd het Israelische leger vanuit de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Chatila beschoten door PLO-strijders, die zich verborgen hielden tussen de burgers in deze kampen.

Bij beschietingen vanuit Chatila zijn drie Israelische soldaten gedood en werden honderd Israelische soldaten gewond. Even later viel er een dode en raakten twintig gewond. Volgens de schattingen waren ongeveer 2.000 PLO-strijders in de kampen aanwezig.

Het vluchtelingenkamp Sabra bestreek circa 200 x 200 meter en Chatila circa 500 x 500 meter. Beide kampen waren zeer vol bebouwd, met veel gebouwen van drie verdiepingen en smalle steegjes. Voor het Israelische leger was duidelijk dat veel van hun soldaten zouden sneuvelen, als zij de kampen zouden betreden.

De Israelische bevolking vond al lang dat de IDF (Israel Defense Forces) de kastanjes uit het vuur haalden voor de Falangisten. En verschillende ministers in het Israelische kabinet zetten Sharon, toen minister van Defensie, onder druk meer gebruik te maken van de christelijke milities om de levens van Israelische soldaten te sparen.

Voor de actie in de kampen overlegde de plaatselijke bevelhebber van de IDF met het hoofd van de inlichtingendienst van het leger. Tijdens dit overleg werd een mogelijke slachting onder de burgerbevolking in de kampen door de Falangisten onder ogen gezien, maar gezien de goede ervaringen met de Falangisten tot dan toe vond het hoofd van de inlichtingendienst het verantwoord de Falangisten in te zetten tegen de PLO-strijders in de kampen. Daarna overlegde de bevelhebber van de IDF met de commandanten van de Falangisten en hij droeg hun nadrukkelijk en eenduidig op geen burgerslachtoffers te maken. Vervolgens overlegde hij met de opperbevelhebber van de IDF en de Israelische minister van Defensie, die akkoord gingen met de door hem gevolgde procedure.

De kampen werden omsingeld door de Falangisten en de IDF. Honderdvijftig falangistische strijders gingen onder leiding van hun commandant El Hobeika, die overigens de actie van buitenaf coördineerde, op 16 september 1982 om 18.00 uur de kampen binnen. Zij bleven daar tot 18 september in de middag. Tijdens hun verblijf daar pleegden zij de verschrikkelijke massamoorden op honderden burgers. Toen een Israelische verbindingsofficier twee gesprekken opving die duidden op slachtingen op de burgerbevolking en zijn superieuren inlichtte, werd de actie onder druk van de Israeli's beëindigd.

Conclusies van de commissie Kahan

De commissie heeft zich beziggehouden met onderzoek naar de verantwoordelijkheid voor de massamoorden. Er werd een onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte verantwoordelijkheid. De commissie zag het echter niet als haar taak om het begrip indirecte verantwoordelijkheid juridisch te onderbouwen, maar verbond er wel een ethische onderbouwing aan. Mede omdat het begrip indirecte verantwoordelijkheid meer de persoonlijke visie van de commissieleden weergeeft dan een juridisch onderbouwde stelling, is dit begrip discutabel.

De commissie kwam tot de volgende eenduidige conclusie:

De directe verantwoordelijkheid berust bij de Falangisten en er waren geen soldaten van de IDF op enige wijze betrokken bij de moorden. Het besluit van de IDF om de Falangisten in te zetten tegen de PLO-strijders in de kampen was ingegeven om de levens van Israelische soldaten te sparen. Niettemin vond de commissie dat de IDF indirecte verantwoordelijkheid droeg en de commissie motiveerde dat zo: "Er waren geen speciale gaven nodig om te beseffen dat de situatie in Libanon na de moord op de christelijke president Bashir Gemayel grondig veranderd was en dat het gevaarlijk was om falangistische strijdgroepen in de Palestijnse kampen in te zetten." Om die reden vond de commissie Kahan dat minister van Defensie Sharon moest aftreden evenals het hoofd van de militaire inlichtingendienst. Tenslotte werd premier Begin nalatigheid verweten.

Het eindrapport van de commissie Kahan werd in Israel fel bekritiseerd. Niettemin werden alle aanbevelingen opgevolgd. Sharon werd ontheven van zijn functie en ook het hoofd van de militaire inlichtingendienst. Sharon bleef wel deel uitmaken van het kabinet als minister zonder portefeuille. Generaal Eitan trad ook af en richtte later een eigen politieke partij op. Op 28 augustus 1983 besloot de zwaar gedesillusioneerde premier Begin zijn functie neer te leggen. Hij werd opgevolgd door Jitschak Shamir.

Verklaringen in de Knesset

Uit de verklaringen van Sharon en Begin in het Israelische parlement, de Knesset, op 22 september 1982 bleek hoe oprecht geschokt zij waren door de gebeurtenissen in Sabra en Chatila, maar dat zij tevens vonden dat zij er alles aan gedaan hadden om dit te voorkomen.

Tenslotte

Terwijl de direct verantwoordelijken met naam en toenaam bekend zijn en in het rapport van de commissie Kahan genoeg getuigenissen te vinden zijn om hen aan te klagen, wordt vrijwel steeds alleen de naam van Sharon in verband gebracht met deze ramp. Er is een grote hoeveelheid documentatie beschikbaar om elke directe relatie tussen Sharon en de slachtingen te ontkrachten. Hoewel de mening van de commissieleden over de indirecte verantwoordelijkheid van de IDF en Israel zelf nog steeds omstreden is, mogen wij de commissie Kahan dankbaar zijn voor haar uitgebreide en minutieuze reconstructie van het drama in Sabra en Chatila.

Rob Kern, psychotherapeut en publicist

Dit artikel is eerder gepubliceerd in het Belgisch Israelitisch Weekblad juli/augustus 2001.

Het artikel is gebaseerd op de volgende bronnen:

- rapport van de commissie Kahan van 7 februari 1983

- R. Hoff, Het Midden-Oosten, uitgever Aula 1991

- R. Soeterik (red.), Midden-Oosten, Instituut voor Publiek en Politiek 1997

- verklaring van het Israelische kabinet op 19 september 1982

- verklaring van Ariel Sharon in de Knesset op 22 september 1982

- verklaring van premier Menachem Begin in de Knesset op 22 september 1982

- interview met de opperbevelhebber van het Israelische leger Rafael Eitan.

Plaats reactie

666

0 reacties

Laad meer reacties

Je bekijkt nu de reacties waarvoor je een notificatie hebt ontvangen, wil je alle reacties bij dit artikel zien, klik dan op onderstaande knop.

Bekijk alle reacties

Meest gelezen

Lees meer