Sommige mensen roepen onmiddellijk vertrouwen op. Bij anderen gebeurt het tegenovergestelde. Hun stem, hun manier van spreken, hun houding: iets wekt weerstand, nog voordat je precies kunt uitleggen waarom. Bij Volodymyr
Zelensky ervaar ik dat laatste. Hij roept bij mij een diep wantrouwen op. Dat zoveel anderen hem bewonderen, heeft daar niets aan veranderd.
Daarmee wil ik zijn sympathisanten niet beledigen. Zij zien kennelijk iets wat ik niet zie. Waar zij moed herkennen, ervaar ik dikwijls brutaliteit. Wat zij vastberadenheid noemen, komt op mij over als dwingend optreden. Die verschillende waarnemingen verdienen een gesprek, zonder dat we elkaar meteen naïviteit of kwade trouw verwijten.
Maar verdient mijn intuïtieve oordeel dan ook enige ruimte?
Professor Bram Buunk heeft zich positief uitgesproken over de betekenis van intuïtieve indrukken bij personeelsselectie.
In een interview stelde hij dat wij daar vaak op kunnen afgaan. Dat is een beperktere uitspraak dan dat iedere eerste indruk juist zou zijn, maar zij neemt het snelle menselijke oordeel wel serieus.
Daar bestaat ook wetenschappelijke grond voor. Psychologen Nalini Ambady en Robert Rosenthal onderzochten hoe mensen op basis van korte fragmenten van gedrag tot beoordelingen komen.
Hun meta-analyse liet zien dat zulke korte waarnemingen in uiteenlopende onderzochte situaties betekenisvolle voorspellende waarde kunnen hebben. Mensen communiceren kennelijk meer via stem, houding en expressie dan zij zelf beseffen. Dat onderzoek geeft echter niemand een vrijbrief om uit een televisiefragment iemands volledige karakter af te leiden.
Daniel Kahneman en Gary Klein beschreven wanneer deskundige intuïtie betrouwbaar kan worden: er moeten herkenbare patronen bestaan, en iemand moet voldoende gelegenheid hebben gehad om daarvan te leren, met bruikbare terugkoppeling over eerdere oordelen. Ervaring telt dus, maar de omstandigheden waarin die ervaring is opgedaan tellen eveneens.
Als bankier heb ik gedurende mijn loopbaan miljarden aan financieringen helpen beoordelen. Daarachter zaten altijd mensen. Hun cijfers waren belangrijk, maar ook hun geloofwaardigheid, hun reactie op lastige vragen en hun bereidheid verantwoordelijkheid te dragen. Soms ontstond aarzeling voordat ik die volledig kon verwoorden. Die aarzeling moest vervolgens worden onderzocht.
Vanuit die achtergrond neem ik mijn wantrouwen serieus. Tegelijk erken ik dat een politicus op afstand beoordelen iets anders is dan een ondernemer tegenover je hebben, diens dossier kennen en afspraken jarenlang volgen.
Bij Zelensky overtuigt de presentatie mij eenvoudigweg niet. Zijn stem en manier van optreden roepen weerstand op. Zijn verleden als acteur maakt mij extra alert op het verschil tussen overtuigend overkomen en betrouwbaar zijn. Dat acteursverleden bewijst uiteraard geen oneerlijkheid. Het verklaart wel een deel van mijn terughoudendheid.
Ook zijn politieke omgeving speelt mee. ‘Zeg mij wie uw vrienden zijn, en ik zal zeggen wie u bent’, luidt het gezegde. Dat is geen wetenschappelijk bewijs van karakter. Maar aanbevelingen ontlenen hun waarde mede aan het vertrouwen dat wij in de aanbevelers stellen. De warme steun van Europese bestuurders die ik zelf weinig vertrouw, stelt mij daarom nauwelijks gerust. Mijn diepe wantrouwen tegenover
Mark Rutte werkt op dezelfde manier: diens nabijheid tot Zelensky vergroot bij mij de twijfel.
Anderen kunnen precies het omgekeerde ervaren. Wie deze leiders wel vertrouwt, kan hun steun als bevestiging zien. Daarmee kijken wij naar dezelfde politieke relaties vanuit verschillende uitgangspunten.
Ik besef bovendien dat mijn eerste afkeer latere gebeurtenissen kan kleuren. Die mogelijkheid moet ik onder ogen blijven zien. Maar ook bewondering verdient die toets. Wie eenmaal een held ziet, moet zich blijven afvragen of kritiek nog werkelijk wordt toegelaten.
Wanneer ik zeg dat ik dwars door Zelensky heen kijk, beschrijf ik hoe sterk mijn overtuiging is. Ik kan daarmee niet bewijzen dat ik zijn motieven ken. Wat ik wel kan zeggen, is dat achter zijn publieke optreden voor mij geen vertrouwen ontstaat.
Ik vraag niemand die overtuiging over te nemen. Wel vraag ik ruimte voor een oordeel dat afwijkt van de bewondering die zoveel anderen uitspreken. Mijn ervaring heeft mij geleerd een duidelijk gevoel van wantrouwen te onderzoeken, en het niet opzij te zetten omdat anderen enthousiast applaudisseren.