Het moderne feminisme presenteert zich graag als wetenschappelijk onderbouwde emancipatiebeweging. In werkelijkheid lijkt het steeds meer op een ideologisch project waarin feiten worden ingeruild voor slogans en biologische realiteit wordt vervangen door wensdenken. Neem de basisclaim:
mannen en
vrouwen zouden vrijwel identiek zijn, en alle verschillen zouden sociaal geconstrueerd zijn. Dat klinkt mooi, maar het botst frontaal met decennia aan neurobiologisch en psychologisch onderzoek. Hormonen beïnvloeden gedrag. Hersenen zijn gemiddeld anders georganiseerd. Mannen en vrouwen verschillen statistisch in interesses, risicobereidheid en competitiviteit. En ironisch genoeg worden die verschillen juist groter in landen waar gelijkheid het verst is doorgevoerd. Dat heet de gendergelijkheidsparadox. Daar hoor je in feministische pamfletten zelden iets over.
Dan de beruchte
loonkloof. Die wordt steevast gepresenteerd als bewijs van structurele onderdrukking. Maar wie de cijfers corrigeert voor beroepskeuze, werkuren, carrièreonderbreking en risicobereidheid, ziet dat er meestal hooguit een paar procent onverklaard overblijft. Dat is geen systeem van onderdrukking, dat is statistiek. Toch blijft het narratief hardnekkig in stand, omdat het politiek bruikbaar is.
Ook binnen de academische wereld rommelt het. Genderstudies kampen al jaren met een reproductiecrisis. Absurdistische nepstudies werden in 2018 zonder problemen geaccepteerd door feministische tijdschriften. Dat zegt alles over de wetenschappelijke lat. Wanneer ideologie belangrijker wordt dan methodologie, sterft wetenschap langzaam af.
Maar misschien nog opvallender is wat het moderne
feminisme níét wil zien.
Mannen plegen vaker zelfmoord. Mannen doen het gevaarlijkste werk. Jongens presteren slechter op school. Mannen krijgen zwaardere straffen voor dezelfde misdrijven en verliezen vaker hun kinderen na scheiding. Toch hoor je daar zelden feministische campagnes over. Gelijkheid blijkt vooral te gelden wanneer het
vrouwen bevoordeelt.
En dan is er de grootste paradox van allemaal: de relatie tussen
feminisme en
islam. Westerse feministen lopen voorop in het verdedigen van een religie die
vrouwen juridisch expliciet ondergeschikt maakt. In de islam is de getuigenis van een vrouw de helft waard van die van een man. Vrouwen erven minder.
Mannen mogen meerdere vrouwen nemen. Mannen kunnen eenzijdig scheiden. In veel landen geldt mannelijke voogdij. Dat zijn geen culturele randverschijnselen, dat zijn fundamentele leerstellingen.
Daarbovenop komen verplichte bedekking, reisbeperkingen en seksuele afhankelijkheid binnen het huwelijk. In extremere vormen zelfs lijfstraffen en eerwraak. Toch blijft het stil. Waarom? Omdat kritiek op
islam tegenwoordig als verdacht geldt. Dus wordt vrouwenonderdrukking gerelativeerd zodra ze religieus verpakt is. Dat is geen solidariteit. Dat is morele lafheid.
Modern
feminisme is daarmee iets vreemds geworden. Het ontkent biologische realiteit. Het misbruikt statistiek. Het past gelijkheid selectief toe. En het sluit de ogen voor systematische vrouwenonderdrukking, zolang die maar uit de “juiste” culturele hoek komt. Dat is geen emancipatie. Dat is ideologie.