In 1979 gooide de Islamitische revolutie van
Khomeini en de zijnen het regime van de sjah omver en vestigde de Iraanse
Republiek. Vanaf het begin was het Khomeini-regime populair bij linkse
intellectuelen in het Westen. De sjah verdreven, een nieuwe tijd zou aanbreken.
Verdedigers van het nieuwe regime waren de Amerikaanse volkenrechtgeleerde
Richard Falk en de Franse filosoof Michel Foucault. Er waren echter ook, vanaf
het begin, kritische geluiden. De theocratische republiek zou een dictatuur
worden of al zijn. Dat laatste standpunt werd vertegenwoordigd door de
Amerikaanse jurist Anthony Lewis in visionair artikel in The New York Times
uit 1979.
Lewis bleek gelijk te hebben.
Iran werd een
theocratische dictatuur. Khomeini en na hem Khamenei werden tirannen. Maar geen
gewone tirannen. Wat was voor hun tirannie essentieel?
Theologie als basis voor politiek Zij rechtvaardigden hun tirannie met een
religieus-theologische argumentatie. Dat wil zeggen: zij bedreven politiek in
naam van God. Wie dus tegen het regime was van Khomeini/Khamenei, was eigenlijk
tegen God. En wat dient te gebeuren met een tegenstander van God? Inderdaad,
die dient te worden geliquideerd. Wat ook gebeurde. Op grote schaal. In naam
van God werden allerlei maatregelen doorgevoerd, waaronder de sluiering van de
vrouw.
Argumenteren tegen “de wil van God”
Theologisch-religieuze rechtvaardigingen van
maatregelen zijn moeilijk aan te vechten, want zelfs de beste redenen om een
praktijk te kritiseren vervallen wanneer die maatregelen moeten worden genomen
“in naam van God”. Martelen is moreel moeilijk te rechtvaardigen. Maar wat nu
als God dat nodig vindt? Tja. Dan moet het maar. Tegen het sluieren van vrouwen
zijn bezwaren aan te voeren. Maar wat zijn die bezwaren waard als God zegt dat
het moet?
Khomeinei en Khamenei waren aanhangers van een
theorie over ethiek die bekend staat als de “goddelijke bevelstheorie” van de
moraal. Iets is goed, als God het wil. Iets is kwaad, als God het niet wil.
Moraal verliest als zelfstandige factor elke betekenis. Moraal is tenslotte
uitvoering van het goddelijk bevel.
De rol van de islamitische jurist in de staat
Khomeini werkte zijn goddelijke bevelstheorie
uit in “Islamic Government” (Hokumat-e Islami), een serie lezingen door
Ayatollah Ruhollah Khomeini in Najaf, Irak, tussen januari en februari in 1970.
Hier wordt de grondslag gelegd voor de Wilayat al-Faqih (“Guardianship
of the Jurist”), waarbij een belangrijke verantwoordelijkheid wordt gelegd voor
het bestuur van de staat bij de islamitische juristen. Het theocratische
element is hier dat het bestuur van de staat wordt gelegd bij mensen die een
religieus-theologische rechtvaardiging geven voor de politiek.
De goddelijke bevelstheorie en kernwapens
In vele situaties is het niet nodig te
discussiëren met aanhangers van de goddelijke bevelstheorie van de moraal.
Wanneer iemand zegt “ik eet geen varkensvlees want dat heeft God verboden” dan
zeg je: “prima, doe vooral niet wat God je heeft verboden”. Maar wat nu wanneer
een aanhanger van de goddelijke bevelstheorie tegen je zegt: “ik moet nu een
kernbom op jouw land gooien want dat beveelt God”? Dan komt het een beetje
anders te liggen. Dan kan je niet heen om een vergaande discussie over de
voorgestelde praktijk, te weten het gooien van een kernbom.
Mogen aanhanger van de goddelijke bevelstheorie
de beschikking krijgen over kernwapens?
Nu hebben Israël en de Verenigde Staten de
aanval geopend op Iran, onder andere omdat Iran bezig is met het ontwikkelen
van kernwapens. Mag dat? In beginsel schrijft het internationaal recht voor dat
geweld tegen een andere natiestaat alleen gerechtvaardigd is in het kader van
zelfverdediging. De tegenstanders van de
aanval zeggen: dat was hier niet het
geval. Dit is dus een agressieoorlog. Maar voorondersteld aan een dergelijke
verwerping van de aanval van Israël en de Verenigde Staten is dat deze niet kan
worden geconstrueerd als zelfverdediging. En is dat zo?
Mag Israël zich verdedigen tegenover een staat
geregeerd door theologen?
Daar valt wel iets op af te dingen. Iran is,
zoals gezegd, een staat die geregeerd wordt door theologen. Die volgen hun
eigen logica. De logica van de goddelijke bevelstheorie van de moraal namelijk.
Staten die dat doen zijn, eerlijk gezegd, levensgevaarlijk. Zij mogen nooit de
beschikking krijgen over kernwapens. Dat Israël daaraan nu de uiterste
consequentie verbindt is wel begrijpelijk. Maar Israël dan? Die heeft toch ook
de beschikking over kernwapens? En die onderdrukken toch de Palestijnen? Het antwoord
is: de staat Israël is geen theocratische staat. De staat Israël wordt niet
geleid door theologen die kernbommen gooien op grond van religieuze
overwegingen.
Geen kernwapens voor theocratieën
De consequentie van dit standpunt is,
inderdaad, dat de wereldgemeenschap groot belang moet hechten aan de situatie
dat staten die de goddelijke bevelstheorie onderschrijven nooit de beschikking
mogen krijgen over kernwapens. Militaire acties om te voorkomen dat
theocratische staten de beschikking krijgen over kernwapens kunnen dus wellicht
worden gezien als een vorm van zelfverdediging.
Op het eerste gezicht lijkt dat vreemd. Immers
het VN-Handvest verbiedt geweld tegen andere staten, behalve met mandaat van de
Veiligheidsraad of uit zelfverdediging. Artikel 51 formuleert dat klassiek als
reactie wanneer een gewapende aanval plaatsvindt. Het Internationaal
Gerechtshof heeft dat uitgangspunt herhaald in zaken als Nicaragua en Oil
Platforms. In het geldende volkenrecht wordt ook preventieve
zelfverdediging in het algemeen niet erkend. Maar wat wel enige erkenning
vindt, ook in het internationale recht, is de pre-emptieve aanval. Het militair
reageren op een aanval die zeker en dreigend is. En kunnen we daarvan niet
spreken in het geval van Iran?
Het argument van de pre-emptieve aanval wordt
versterkt door het feit dat Iran allerlei bewegingen financiert die direct
aanvallen inzetten op Israël, zoals Hamas en Hezbollah of de Houthi’s.
De fatwa als bewijs voor de wijze van optreden
van Iran
Al deze zaken maken het zeer waarschijnlijk dat
Iran kernwapens zal inzetten op grond van religieus-theologische overwegingen
wanneer men eenmaal de beschikking heeft over een kernbom. Dat weten we op
grond van een hele serie van andere situaties waarbij Iran zich heeft beroepen
op de goddelijke bevelstheorie van de moraal ter rechtvaardiging van de meest
immorele zaken. Denk aan de fatwa door Khomeini over Rushdie. Die vond plaats
in 1989. Tien jaar na de revolutie dus. Khomeini gaf opdracht tot het vermoorden
van Rushdie omdat hij een godslasterlijk boek had geschreven. Dat was niet een
doodsvonnis over 1 boek van 1 schrijver. Het was een doodsvonnis over álle
boeken die soortgelijke thema’s behandelen als Rushdie deed. Het was dus ook
een doodsvonnis over álle westerse schrijvers. En omdat vrijheid van expressie
een kernwaarde was van de westerse cultuur was het ook een doodsvonnis over die
kernwaarde. En over alle mensen die geloven in die kernwaarde, dus alle burgers
die leven in democratische rechtsstaten. Eigenlijk zou toen, in 1989, al
militaire actie uit zelfverdediging mogelijk zijn geweest. Maar dat gebeurde
niet. Het Westen bleef doormodderen. Natuurlijk zijn ook andere
rechtvaardigingen te presenteren voor ingrijpen in Iran. Er is ook het argument
van de humanitaire interventie: je kunt eenvoudigweg niet toestaan dat het
regime doorgaat met het uitmoorden van de eigen bevolking. Maar het argument
van zelfverdediging tegen een theocratie die op basis van
religieus-theologische redenen gebruik zal maken van nucleaire wapens is ook
sterk. Zou het internationaal recht niet óók voorschrijven dat de sterkste
macht moet ingrijpen tegenover de bully die het hele systeem van het
internationale recht omver haalt?