Jeugdwerkloosheid tussen discriminatie en statistiek

Foto:

De officiële werkloosheid onder jongeren van 15 tot 24 jaar in de EU is schrikbarend hoog.

In Spanje en Griekenland bedraagt deze meer dan 50 procent. Italië, Portugal en Cyprus kennen een percentage van meer dan 40. In Nederland ligt de jeugdwerkloosheid gemiddeld rond 11 procent, maar zijn er groepen die een veel hoger percentage kennen. Onder allochtonen bedraagt de werkloosheid een veelvoud van dit gemiddelde.

In een eerdere bijdrage schreef ik over het Nederlandse jeugdwerkloosheidscijfer. Dat wordt vertekend doordat ook degenen die louter een bijbaantje zoeken en voor wie werken niet hun hoofdactiviteit is (scholieren bijvoorbeeld) als werkloos staan geregistreerd. Hoe jonger de leeftijd, hoe schever het beeld is dat de officiële cijfers geven. Er is echter nog een andere vertekening en die doet het (inter)nationale beeld kantelen.

Werkloosheid wordt gemeten door het aantal werkzoekenden te delen op de beroepsbevolking. De beroepsbevolking wordt gevormd door de werkenden en de werklozen tezamen. Er is nog een derde categorie die niet tot de beroepsbevolking behoort, maar wier aanwezigheid voor wat betreft het meten van de jeugdwerkloosheid wel van groot belang is. Dat zijn de “inactieven”. De naam is enigszins misleidend. Het gaat om mensen die noch werken noch op zoek zijn naar werk, om wat voor redenen dan ook.

De cijfers van Eurostat, het CBS van de Europese Unie, laten naast de officiële werkloosheid ook de ratio zien tussen het aantal werklozen en de totale bevolking als het gaat om de categorie tussen 15 en 24 jaar. Dat heeft forse consequenties zo blijkt. In Spanje ‘daalt’ de jeugdwerkloosheid dan van meer dan 50 procent naar iets meer dan 20 procent. En bij de andere hierboven genoemde Mediterrane landen schiet de werkloosheid ruim onder de 20 procent. Dat is natuurlijk nog steeds veel, maar minder dan de helft van de officiële werkloosheidscijfers.

De suggestie van alle berichten in de pers dat in Zuid-Europa (meer dan) de helft van alle jongeren de dagen in onledigheid doorbrengt als werkloos is dus sterk overdreven. Veel jongeren zijn om wat voor reden dan ook niet beschikbaar voor werk van 12 uur per week of meer. Overigens illustreert het fenomeen bijbaantje de verschillen tussen landen in de EU. De cijfers voor Spanje, Griekenland en Italië worden i.t.t. de Nederlandse niet vertekend door de aanwezigheid van scholieren die op zoek zijn naar een klein baantje voor naast studie of school. Dat fenomeen bestaat daar gewoonweg niet.

Terug nog even naar eigen land. De andere manier van meten door Eurostat heeft voor het gemiddelde werkloosheidscijfer onder jongeren in ons land ook gevolgen. Het gemiddelde ligt nu 30 procent lager: 7,7 procent in 2013 in plaats van 11 procent. Jarenlang is ons voorgehouden dat de werkloosheid onder allochtone jongeren meer dan het dubbele is van die onder autochtone (in 2012 zelfs bijna het drievoudige: 9,8 procent versus 28,4 procent). Uiteraard moet de overheid hier iets aan doen door meer geld te geven aan de gebruikelijke belangengroepen, die via banenplannen de achterliggende oorzaak (discriminatie door witte werkgevers) kunnen bestrijden. Wie het aantal werkloze allochtone jongeren (circa 31.000) relateert aan het totale aantal allochtone jongeren (circa 320.000) ziet dat de ratio tussen beide tot onder de 10 daalt. Een daling dus met tweederde! Onder allochtone jongeren is dus vooral de groep inactieven relatief veel groter dan onder autochtonen. Inactief kan betekenen dat men braaf voltijds op school zit of aan de studie is. Het kan ook zijn dat men een Wajonguitkering heeft o.i.d. Of er zijn voldoende eigen middelen van bestaan die zich aan het zicht van officiële instanties onttrekken. Of men is in Syrië enz. Het illustreert in ieder geval dat je niet te snel “Discriminatie!” moet roepen.


Waardeer jij de artikelen op DagelijkseStandaard.nl? Volg ons dan op Twitter!

In dit artikel

Like nu onze nieuwe pagina voor nieuws en opinie!