Voor de wet ben je op je achttiende volwassen. In de bijstand gelden tussen 18 en 21 jaar echter lagere bedragen, omdat ouders nog een financiële verantwoordelijkheid hebben. Dat wordt ingewikkeld wanneer die steun er niet is en redelijkerwijs ook niet kan worden verkregen. Het kabinet wil voor een bepaalde groep jongeren de bijstandsnorm daarom gelijkstellen aan de norm voor mensen van 21 jaar en ouder.
Het voorstel maakt deel uit van een nieuwe vereenvoudigingswet. Het gaat niet om een algemene verhoging voor iedere jongere. De gemeente moet blijven beoordelen of iemand tot de bedoelde groep behoort en aan de voorwaarden voldoet.
Ouders hebben langer een financiële verantwoordelijkheid
De
Rijksoverheid beschrijft waarom jongeren een lagere bijstandsnorm hebben. Ouders moeten hun
kinderen in beginsel financieel ondersteunen tot zij 21 jaar zijn.
De gedachte achter de lagere norm is dat een jongere daardoor niet volledig van de
uitkering afhankelijk hoeft te zijn. In een gezin waarin die ondersteuning beschikbaar is, kan dat uitgangspunt aansluiten op de werkelijkheid.
Maar niet iedereen kan bij zijn ouders terecht. Soms ontbreken de financiële middelen. Soms zijn ouders overleden of is de verhouding zo verstoord dat het verkrijgen van ondersteuning niet redelijkerwijs mogelijk is.
Wat er volgens het voorstel verandert
Het kabinet wil voor jongeren van 18 tot 21 jaar die geen beroep kunnen doen op die onderhoudsplicht, onder voorwaarden de norm voor personen van 21 jaar en ouder gebruiken.
In de
aankondiging van de nieuwe vereenvoudigingswet wordt deze verandering genoemd als een manier om de regels overzichtelijker te maken.
De
internetconsultatie begon op 2 september. Belanghebbenden kunnen tot 30 september reageren. Daarna moet het voorstel nog verder worden behandeld.
Een voorgenomen hogere norm is dus nog geen bedrag dat iemand vandaag al kan opeisen op basis van deze aankondiging.
Zelfstandig wonen is niet automatisch voldoende
Een eigen kamer en een hoge huur maken de financiële druk duidelijk. Toch volgt daar niet vanzelf uit dat de gemeente de volwassenennorm moet toepassen.
De vraag is ook of ouders kunnen en moeten bijdragen, welke ondersteuning beschikbaar is en welke noodzakelijke kosten de jongere heeft.
De
overheidsuitleg over bijstand voor jongeren noemt omstandigheden waarin extra ondersteuning relevant kan zijn, zoals onvoldoende middelen bij ouders of een verstoorde relatie.
Het gaat daarmee verder dan de mededeling dat ouders liever niet betalen. De persoonlijke omstandigheden moeten worden beoordeeld.
Zet inkomsten en kosten naast elkaar
Voor een gesprek met de gemeente helpt een concreet overzicht. Wat komt maandelijks binnen? Welke vaste lasten zijn er? Welke kosten worden nog door iemand anders betaald?
Een begroting kan bestaan uit huur, energie, zorgpremie, vervoer en noodzakelijke dagelijkse uitgaven. Vermeld ook eventuele inkomsten uit werk of andere ondersteuning.
Dat overzicht bewijst op zichzelf nog geen recht op bijstand. Het maakt wel zichtbaar waar het tekort ontstaat en voorkomt dat verschillende bedragen tijdens het gesprek door elkaar lopen.
Bewaar de onderliggende stukken. Een huurcontract en een bankafschrift geven meer houvast dan alleen een schatting van de maandlasten.
Vraag een beoordeling van de huidige situatie
Wie nu in financiële problemen zit, hoeft niet uitsluitend te wachten op de mogelijke nieuwe wet. De bestaande regels kennen al mogelijkheden om bijzondere omstandigheden te beoordelen.
Vraag de gemeente daarom wat op dit moment geldt. Vermeld dat ouderlijke ondersteuning ontbreekt en vraag welke gegevens nodig zijn om dat zorgvuldig te beoordelen.
Laat een moeilijke thuissituatie niet verdwijnen achter een standaardformulier waarop alleen staat dat ouders nog onderhoudsplichtig zijn. Juist de vraag of die ondersteuning daadwerkelijk beschikbaar is, kan nader onderzoek vragen.
Een hulpverlener of cliëntondersteuner kan helpen om de situatie overzichtelijk te presenteren.
Andere jongerenregels staan hiernaast
Er bestaan ook andere regels voor jongeren in de bijstand. Zo beschrijft de
Rijksoverheid afzonderlijke wijzigingen voor kwetsbare jongeren, waaronder uitzonderingen op de gebruikelijke zoekperiode naar werk of opleiding.
Die onderwerpen mogen niet worden verward. Een uitzondering op een wachttijd zegt nog niet automatisch iets over de hoogte van de uitkering.
Vraag daarom bij een besluit welke norm wordt toegepast, vanaf welke datum en op basis van welke omstandigheden. Dat maakt duidelijk waarover eventueel nog discussie bestaat.
Het nieuwe voorstel erkent een concreet probleem: een lagere uitkering werkt anders wanneer de veronderstelde ouderlijke steun ontbreekt. Of een individuele jongere daardoor straks meer ontvangt, blijft afhangen van de eigen situatie en de uiteindelijke wettelijke regeling.