Dubbele kinderbijslag wordt vaak in verband gebracht met een kind dat thuis intensieve zorg nodig heeft. Er bestaat echter ook een regeling voor kinderen die juist niet thuis kunnen wonen. Ouders van een kind dat vanwege ziekte of een handicap in een instelling verblijft, kunnen onder voorwaarden dubbele kinderbijslag ontvangen. De beoordeling draait niet alleen om de verblijfplaats of diagnose. Ook de financiering van de instelling, het aantal dagen dat ouders bij het kind verblijven en de eigen onderhoudskosten tellen mee.
Vooral dat laatste kan een struikelblok zijn. De SVB vraagt voor dubbele kinderbijslag bij een uitwonend kind om minimaal 1.432 euro aan onderhoud per kwartaal.
Wanneer geldt een kind als uitwonend?
Voor de gewone kinderbijslag ziet de SVB een kind doorgaans als uitwonend wanneer het minstens vier nachten per week niet thuis slaapt. Bij een uithuisplaatsing in een pleeggezin of instelling kan het kind ook bij een tijdelijk verblijf als uitwonend gelden.
Een korte ziekenhuisopname wordt anders behandeld. Duurt die korter dan zes maanden, dan blijft het kind voor de kinderbijslag in beginsel thuiswonend. Bij een langere opname kan het kind wel als uitwonend gelden. Is vanaf de eerste dag duidelijk dat de opname langer dan zes maanden zal duren, dan kan die beoordeling meteen ingaan.
Daarnaast geldt een bijzondere regel voor ouders die veel bij hun kind verblijven. Verblijven de ouders gezamenlijk 46 dagen of meer per kwartaal bij het kind, dan beschouwt de SVB het kind voor deze regeling niet als uitwonend.
Alle verblijfsperioden van beide ouders worden daarvoor bij elkaar opgeteld. Ook een verblijf dat over de grens tussen twee kwartalen loopt, moet correct worden toegerekend.
Minimaal 1.432 euro per kwartaal
Voor dubbele kinderbijslag bij een uitwonend kind noemt de SVB een onderhoudsbijdrage van minimaal 1.432 euro per kwartaal. Het gaat om kosten die de ouders zelf voor het kind maken.
De SVB noemt als voorbeelden:
-
kleding en schoenen;
-
vervoer in verband met bezoek;
-
verzekeringen;
-
schoolgeld;
-
zakgeld;
-
verjaardagen;
-
vakantie;
-
contributie voor een sportvereniging;
-
alimentatie.
Niet iedere uitgave zal automatisch worden geaccepteerd. Bewaar daarom facturen, bankafschriften en andere betaalbewijzen. Maak daarnaast een overzicht per kwartaal. Een stapel jaarfacturen zegt minder wanneer niet duidelijk is welk bedrag aan welk tijdvak moet worden toegerekend.
Wie betaalt de zorginstelling?
Bij een kind dat wegens ziekte of handicap in een instelling woont, stelt de SVB nog een voorwaarde. De kosten van de instelling moeten worden betaald vanuit de Wet langdurige zorg, de Jeugdwet of de zorgverzekering.
Dat betekent niet dat ouders zelf geen kosten meer hoeven te maken. Juist kleding, vervoer, schoolspullen en persoonlijke uitgaven kunnen voor hun rekening blijven. Die eigen uitgaven zijn relevant voor de onderhoudsgrens.
Maak daarom onderscheid tussen de kosten van verblijf en behandeling enerzijds en de persoonlijke onderhoudskosten anderzijds. Het bedrag dat een zorgverzekeraar of gemeente aan de instelling betaalt, is geen bedrag dat de ouders zelf aan onderhoud hebben uitgegeven.
Een andere regeling dan zorg thuis
DDS beschreef eerder
hoe dubbele kinderbijslag mogelijk kan zijn voor een thuiswonend kind zonder Wlz-indicatie. In die situatie draait het om intensieve verzorging en toezicht thuis, waarna het CIZ de zorgbehoefte beoordeelt.
De route voor een uitwonend kind is anders. Hier staan onder meer de verblijfssituatie en de aantoonbare onderhoudskosten centraal. Een eerdere afwijzing voor de thuiszorgregeling zegt daardoor niet automatisch wat de uitkomst bij uitwonend verblijf is. Omgekeerd kan een verhuizing naar een instelling betekenen dat de bestaande aanspraak opnieuw moet worden bekeken.
Bereid de aanvraag per kwartaal voor
Begin met drie vragen:
-
Geldt het kind volgens de SVB-regels als uitwonend?
-
Wordt de instelling betaald vanuit een van de toegestane zorgwetten of de zorgverzekering?
-
Geven de ouders zelf minstens 1.432 euro per kwartaal aan onderhoud uit?
Maak vervolgens een kwartaaloverzicht. Noteer bezoekdagen apart, zeker wanneer één ouder regelmatig in de buurt van de instelling overnacht. Een verkeerd getelde periode kan invloed hebben op de beoordeling van uitwonend zijn.
Vraag de SVB bij twijfel vooraf welke bewijsstukken zij voor de specifieke kosten accepteert. Dat voorkomt dat ouders pas na maanden ontdekken dat bepaalde betalingen onvoldoende zijn vastgelegd.
Een kind dat noodgedwongen buiten het ouderlijk huis woont, kan nog steeds veel financiële inzet van de ouders vragen. De dubbele kinderbijslag kan daarbij helpen, maar alleen wanneer zowel de verblijfssituatie als de eigen kosten goed worden aangetoond.