Een broer of zus die in het testament van vader of moeder tot executeur is benoemd, mag de andere kinderen niet afschepen met een beknopt staatje en mag al helemaal niet eisen dat zij zelf betalen voor het opvragen van bankafschriften. Dat blijkt uit een vonnis van de
Rechtbank Midden-Nederland (
ECLI:NL:RBMNE:2026:7487, uitspraak 16 september 2026, gepubliceerd op 27 oktober 2026). Een in Frankrijk wonende zus die als executeur de nalatenschap van haar in 2024 overleden moeder afwikkelde, moet binnen een maand twee gouden ringen en zes schilderijen laten taxeren en wordt bovendien in privé veroordeeld tot het betalen van €842 aan proceskosten.
De zaak draaide om een gezin met vier kinderen waarvan de vader al eerder was overleden. In haar testament had moeder al haar vier kinderen tot erfgenamen benoemd, maar niet voor gelijke delen: de eisende broer kreeg 1/8e deel toebedeeld, de in Frankrijk wonende zus kreeg 3/8e deel en de twee andere kinderen kregen ieder 2/8e deel. Alle kinderen aanvaardden de erfenis beneficiair en de broer deed daarnaast een aanvullend beroep op zijn legitieme portie. Moeder had de zus met het grootste erfdeel in het testament aangewezen als executeur.
Executeur eiste dat broer zelf voor opvraagkosten betaalde
Om zijn erfdeel en zijn legitieme portie te kunnen uitrekenen, vroeg de broer zijn zus om de onderliggende bankafschriften, belastingstukken, polissen, facturen en gegevens over de inboedel en de verkoop van moeders woning. Op grond van
artikel 4:148 van het Burgerlijk Wetboek is een executeur wettelijk verplicht om een erfgenaam alle gewenste inlichtingen over de uitoefening van zijn of haar taak te geven.
Voordat haar eigen advocaat haar erop wees dat zij als executeur informatie moest geven, stelde de zus zich op het standpunt dat zij kon volstaan met een summier overzicht van de nalatenschap. Wilde haar broer de onderliggende stukken zien, dan moest hij volgens haar zelf opdraaien voor de kosten daarvan. De broer stapte daarop naar de rechtbank in Utrecht. Daar vraagt hij in de hoofdzaak om de verdeling van de erfenis, en in een tussenprocedure (het incident) eiste hij afgifte van de stukken op straffe van een dwangsom.
Pas in de rechtszaal kwamen de bankafschriften op tafel
Pas nadat de dagvaarding op de mat lag, kwam de zus in het incident met een dik pak bewijsstukken over de brug. Zij overlegde de afschriften van moeders betaal- en spaarrekening bij ING vanaf 2017 tot en met juli 2026, de afschriften van opgeheven rekeningen bij ABN AMRO en Triodos Bank, een uitkeringsbrief van verzekeraar ASR, de aangifte erfbelasting waarin een schenking van €6.633 van moeder aan de zus op 20 september 2024 stond vermeld, en de facturen van openstaande schulden aan onder meer Eneco (€1.510,64), BGHU (€77,82) en Zilveren Kruis (€77).
Ook over de verkoop van moeders woning tijdens haar leven op 17 september 2024 leverde de zus alsnog een taxatierapport en twee bouwkundige inspectierapporten aan. De broer had argwaan gekregen omdat het huis voor €632.500 aan kennissen van de zus was verkocht, terwijl de WOZ-waarde in dat jaar op €734.000 lag. Volgens de rechtbank gaf de zus daarmee zelfs meer dan ze als executeur hoefde. Over wat moeder tijdens haar leven zelf deed, zoals de verkoop van haar huis of haar vaste lasten, hoeft een executeur geen informatie te geven, zeker niet als de erfgenaam niet uitlegt waarom hij die nodig heeft.
Taxatie van ringen en schilderijen én €842 uit eigen zak
Op één inhoudelijk punt bleef de zus echter in gebreke: de waarde van de roerende zaken. Volgens de zus waren bij het leegruimen van de woning de meeste spullen afgevoerd omdat ze geen economische waarde hadden, en bestond de waardevolle inboedel verder uit twee gouden ringen en zes schilderijen (waarvan moeder er eerder vier voor €15.000 van de echtgenoot van de zus had gekocht volgens een handgeschreven verkoopbewijs). Van de ringen had de zus enkel foto's gestuurd, zonder enige waardebepaling. De rechtbank veroordeelt haar daarom als executeur om binnen één maand na het vonnis taxatierapporten van zowel de twee gouden ringen als de zes schilderijen aan haar broer te verstrekken. Een dwangsom legt de rechtbank niet op: omdat de zus de meeste stukken alsnog gaf, gaat de rechtbank ervan uit dat ze ook dit doet. De kosten van die taxaties komen als kosten van de executele ten laste van de erfenis.
Voor de proceskosten van de rechtszaak draait de nalatenschap echter niet op. Omdat de broer pas na het starten van de rechtszaak de bankafschriften en facturen kreeg waar hij al veel eerder recht op had, en de zus vooraf ten onrechte eiste dat hij de opvraagkosten zelf zou betalen, vindt de rechter het onterecht als moeders boedel voor de advocaatkosten zou opdraaien. De zus moet de €842 aan proceskosten (€653 salaris advocaat en €189 nakosten) binnen veertien dagen na aanschrijving in privé, dus uit haar eigen portemonnee, aan haar broer betalen. De verdeling van de erfenis zelf is daarmee nog niet rond: de hoofdzaak loopt door.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.