Wie in huwelijkse voorwaarden afspreekt dat de ene partner bij een echtscheiding een vast bedrag aan de andere partner uitkeert, riskeert dat de Belastingdienst die uitkering bij het uit elkaar gaan belast als een
schenking. Een vrouw die via zo'n clausule recht kreeg op een geïndexeerd bedrag van €360.000 moet daar
schenkbelasting over betalen, zo oordeelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in een op 15 oktober gepubliceerde
uitspraak van 12 oktober 2026.
Dat het echtpaar in de notariële akte de betaling had bestempeld als "voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen", hield de aanslag niet tegen. Volgens de belastingrechter is zo'n etiket niet beslissend: er wordt mede gekeken naar de feitelijke financiële situatie bij de scheiding.
De uitspraak is van belang voor stellen die buiten elke gemeenschap van goederen trouwen en in hun huwelijkse voorwaarden toch een vast geldbedrag voor een van beiden vastleggen voor het geval het
huwelijk strandt. Waar het delen van opgebouwd vermogen bij helfte onder voorwaarden onbelast kan blijven, geldt voor een vooraf afgesproken som geld een ander regime.
Hoe €300.000 opliep tot €360.000 bij de scheiding
Het echtpaar trouwde in 2008 op huwelijkse voorwaarden die elke gemeenschap van goederen, elk periodiek verrekenbeding en elke finale verrekening bij echtscheiding uitsloten. In artikel 5 lid 2 spraken ze af dat de vrouw een eenmalig bedrag van €300.000 van de man zou krijgen als het huwelijk anders dan door overlijden zou eindigen. Dat bedrag groeide elk jaar mee met de CBS-prijsindex.
Lid 3 gaf die betaling het etiket van een morele plicht. Toen het huwelijk in 2019 eindigde in een echtscheiding, stelden zij het bedrag met indexatie vast op €360.000. In het echtscheidingsconvenant spraken ze af dat de man deze som in twaalf jaar zou betalen, in maandtermijnen van €2.500 (€30.000 per jaar). Ze schreven erbij dat de uitkering bedoeld was voor haar verzorging en om de levensstandaard uit het huwelijk vast te houden.
Waarom een vast bedrag telt als voorwaardelijke schenking
Toen de inspecteur haar een aanslag schenkbelasting oplegde, stelde de vrouw dat het nakomen van huwelijkse voorwaarden net als het aangaan van een gemeenschap van goederen geen schenking kan zijn. De rechtbank wijst dat af: bij een gemeenschap van goederen hangt de uitkomst af van wat er tijdens het huwelijk nog verschuift, maar hier ging het om een vooraf bepaald bedrag van €300.000 (geïndexeerd) dat daar los van stond en dat alleen de vrouw ten goede kwam.
Ook haar betoog dat de man bij de scheiding in 2019 geen vrijgevige bedoeling meer had en alleen betaalde omdat de akte hem daartoe dwong, baat haar niet. Volgens de rechtbank, die zich op een arrest van de Hoge Raad baseert, kijk je bij een overeenkomst naar de bedoeling op het moment dat je die sluit: hier dus bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank vindt dat de man haar toen bewust wilde bevoordelen, en dat is precies wat een
gift volgens artikel 7:186 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kenmerkt.
Op grond van
artikel 1 lid 9 van de Successiewet 1956 telt een schenking onder voorwaarde pas op het moment dat de voorwaarde uitkomt, hier dus bij de scheiding. Daardoor mocht de Belastingdienst de voorwaardelijke toekenning uit 2008 belasten in 2019, het jaar waarin het huwelijk eindigde.
Waarom de vrijstelling voor een morele plicht niet opging
Vervolgens toetste de rechter of de vrouw recht had op de vrijstelling voor een natuurlijke verbintenis in artikel 33 onder 12° van de Successiewet 1956. Wat een natuurlijke verbintenis inhoudt, staat in
artikel 6:3 lid 2 onderdeel b van het Burgerlijk Wetboek: een sterke morele plicht die je juridisch niet kunt afdwingen, maar die volgens de gangbare opvattingen wel geldt als iets wat je de ander verschuldigd bent.
Of zo'n morele plicht bestaat om een ex-partner verzorgd achter te laten, beoordeelt de rechter objectief aan de hand van de wederzijdse welstand en behoefte bij de scheiding. Daar wringt het: de vrouw verwees alleen naar de tekst van de huwelijkse voorwaarden, en dat is volgens de rechter niet genoeg. Ze heeft niet eens gesteld dat ze na de scheiding niet zelf kon rondkomen. In artikel 1 lid 1 van het convenant verklaarden beiden juist dat ze in hun eigen levensonderhoud konden voorzien, en daarom spraken ze geen alimentatie af.
Hoe zwaar zo'n aanslag aantikt, laat een eigen indicatie zien met de cijfers van 2019, het jaar waarin de schenking volgens de rechter tot stand kwam. Na aftrek van de vrijstelling van €2.173 blijft €357.827 belast. Omdat je op dat moment niet meer getrouwd bent, geldt het tarief voor overige verkrijgers: 30 procent tot €124.727 en 40 procent daarboven. Dat komt neer op ongeveer €130.658 schenkbelasting. Hoeveel de vrouw echt moet betalen, staat niet in de uitspraak.
Stellen met huwelijkse voorwaarden doen er daarom goed aan een vaste scheidingsuitkering door hun notaris te laten toetsen. Is een vergoeding juist bedoeld om een terugval in inkomen op te vangen, leg dan bij de scheiding goed vast waarom die nodig is.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.