Wie tijdens een relatie jarenlang elke maand geld overmaakt naar een partner die krap bij kas zit, kan na een relatiebreuk bij de rechter met lege handen komen te staan als bij de overboekingen geen omschrijving staat en ook achteraf niets schriftelijk of in berichten is vastgelegd. De kantonrechter van de
Rechtbank Overijssel heeft op 29 september 2026 (gepubliceerd op 12 oktober 2026) de vordering van een vrouw die €21.285,30 van haar ex-vriend terugeiste volledig afgewezen. De mondelinge toezegging dat hij zou terugbetalen 'wanneer hij kon' of 'als er geld zou zijn', is volgens de rechter te onbepaald om een overeenkomst van geldlening aan te nemen.
De man en de vrouw hadden van 2020 tot 2023 een affectieve relatie, zo staat in het
vonnis van de Rechtbank Overijssel. Van juni 2020 tot juni 2023 maakte de vrouw maandelijks bedragen over naar zijn bankrekening, zonder dat zij bij die betalingen een omschrijving invulde. Op 26 juni 2020, toen zij volgens haar nog niet lang samen waren, maakte zij €2.000 over.
Bijna twee jaar na de laatste overboeking pas een brief over terugbetaling
Pas op 28 april 2025, bijna twee jaar na de laatste overboeking in juni 2023, vroeg de vrouw haar ex-vriend per brief voor het eerst om de overgemaakte bedragen terug te betalen. Op 15 juli 2025 volgde een sommatiebrief, waarna zij hem op 17 februari 2026 dagvaardde voor de kantonrechter in Almelo. Om onder de competentiegrens van de kantonrechter van €25.000 te blijven, beperkte zij haar vordering tot €21.285,30.
Tijdens de zitting op 28 augustus 2026 legde de vrouw uit hoe de betalingen waren begonnen. Haar vriend had destijds
schulden, volgens haar onder meer advocaatkosten uit een eerdere relatie, en kon daardoor de rekeningen niet betalen. Naast de overboekingen betaalde zij volgens haar ook de verjaardagscadeaus van zijn kinderen, de tv en reparaties. De vrouw zat naar eigen zeggen financieel goed, mede dankzij haar vader, en leende daarnaast bij DUO onder het leenstelsel; een deel van dat geleende geld sluisde zij door naar haar vriend. Volgens haar begon het subtiel met 'ik ben blut' en 'van een kale kip kun je niet plukken', waarna hij vroeg of zij kon bijspringen, met de belofte dat hij zou terugbetalen 'wanneer hij dat kon'. Haar vader heeft haar DUO-schuld inmiddels afbetaald, en nu moet zij hem terugbetalen.
De ex-vriend betwistte dat er ooit een
lening was afgesproken. Volgens hem stelde zijn toenmalige vriendin het geld telkens uit eigen beweging beschikbaar, zonder dat hij daarom vroeg. Er was volgens hem alleen sprake van een rode Audi voor haar als hij ooit de jackpot zou winnen; volgens de kantonrechter is dat geen afdwingbare tegenprestatie.
Waarom 'als er geld zou zijn' juridisch geen lening oplevert
De kantonrechter stelt voorop dat bij een overeenkomst van geldlening op grond van
artikel 7:129 van het Burgerlijk Wetboek de ene partij een geldsom verstrekt en de andere partij zich verbindt om een gelijke som terug te betalen. Wie stelt dat zo'n lening is gesloten en het geld opeist, draagt volgens artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast dat er een terugbetalingsverplichting is overeengekomen.
Juist op dat punt loopt de vordering vast. Haar eigen verklaring op de zitting dat haar vriend het geld zou terugbetalen 'als er geld zou zijn', is volgens de kantonrechter te vrijblijvend en onbepaald om te kunnen spreken van een juridisch afdwingbare terugbetalingsverplichting. Sinds de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht op 1 januari 2025 in werking trad, is de rechter weliswaar vrij in de waardering van zo'n eigen verklaring van een partij, maar tegenover de gemotiveerde betwisting van de man legt haar verklaring volgens de kantonrechter onvoldoende gewicht in de schaal.
Daar komt bij dat zij de gestelde terugbetalingsafspraak niet met stukken heeft onderbouwd. Ook zijn er geen WhatsApp-berichten of e-mails overgelegd waaruit blijkt dat de ex-vriend de schuld heeft erkend. Ook bij de overboekingen zelf, waaronder de €2.000 van 26 juni 2020, stond geen enkele notitie die op een geldlening duidt.
Ook beroep op onverschuldigde betaling en misbruik van omstandigheden strandt
De vrouw deed nog een beroep op onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW), ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW) en vernietiging wegens misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 en artikel 7:176 BW). De kantonrechter wijst al die grondslagen af. Onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking stranden omdat de betalingen een rechtsgrond hadden: schenking in de zin van artikel 7:175 lid 1 BW, zonder terugbetalingsplicht.
Weliswaar keert artikel 7:176 BW bij een schenking zonder notariële akte in beginsel de bewijslast om bij een beroep op misbruik van omstandigheden, maar ook dan moet de schenker eerst concrete feiten stellen waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Nu haar stelling volgens de kantonrechter elke feitelijke onderbouwing mist en de vrouw zelf verklaarde dat zij destijds zelfstandig besloot om financieel bij te springen, wordt de eis van €21.285,30 afgewezen, met compensatie van de proceskosten vanwege de aard van de relatie.
Wie een partner of familielid met schulden financieel helpt en wél wil dat het geld als lening terugkomt, doet er dus verstandig aan om vóór of bij de overboeking schriftelijk of per bericht vast te leggen dat het om een lening gaat, bij voorkeur in een korte schuldbekentenis met een concreet terugbetalingsmoment, én bij elke bankoverschrijving 'geldlening' in de omschrijving te zetten.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.