Wie in een van de ongeveer 70 gemeenten met een opkoopbescherming in een aangewezen gebied een koopwoning onder de lokale WOZ-grens koopt, mag die woning nu vier jaar lang niet zonder gemeentelijke vergunning verhuren of in gebruik geven. Minister Elanor Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) heeft op 16 oktober 2026 aan de Tweede Kamer gemeld dat zij dit vierjarige verhuurverbod wil inperken en de grens wil leggen bij de gemiddelde WOZ-waarde in de gemeente. Ook nu al moeten gemeenten in drie wettelijke situaties een verhuurvergunning verlenen, waaronder bij verhuur aan een kind of kleinkind. De Kamerbrief noemt geen wijziging van die uitzonderingen. De opkoopbescherming werd op 1 januari 2022 in de Huisvestingswet 2014 ingevoerd met drie doelen: koopstarters meer kans geven tegenover beleggers, de leefbaarheid in buurten beschermen en malafide verhuurders weren. Uit de evaluatie, die de Kamer al in juli ontving en waarop minister Boekholt-O’Sullivan op vrijdag 16 oktober 2026 reageerde met haar
Kamerbrief over het aanpassen van de opkoopbescherming, blijkt dat het instrument in de huidige markt geen effectief middel meer is om de slaagkans van koopstarters te vergroten. Die afname is zichtbaar sinds het tweede kwartaal van 2023.
Malafide verhuurders kunnen gemeenten volgens de brief inmiddels beter aanpakken met andere regels, zoals de Wet goed verhuurderschap. Volgens het
nieuwsbericht van de Rijksoverheid van 16 oktober 2026 wil de minister het wetsvoorstel eind dit jaar in internetconsultatie brengen. Blijkens de Kamerbrief wil zij de Huisvestingswet 2014 daarvoor op drie punten aanpassen.
Gemiddelde WOZ-waarde als plafond en alleen per wijk
Allereerst wil de minister het wettelijke doel beperken tot het tegengaan van druk op de leefbaarheid door een onevenwichtige verdeling tussen koop- en huurwoningen. Nu staat in
artikel 40 lid 1 van de Huisvestingswet 2014 nog dat gemeenteraden de maatregel ook mogen inzetten om schaarste aan goedkope en middeldure koopwoningen te bestrijden. Dat schaarstedoel voor starters vervalt in het voornemen van het kabinet.
Ten tweede wil de minister dat gemeenten het verhuurverbod alleen nog gebieds- en wijkgericht inzetten. Een gemeente moet dan per buurt of wijk laten zien dat de leefbaarheid daar al langer onder druk staat, dat koop en huur er scheef verdeeld zijn en dat het daar slechter gaat dan in de omliggende delen van de gemeente.
Ten derde verkent de minister een wettelijke maximale prijsgrens op de gemiddelde WOZ-waarde van woningen in de betreffende gemeente. Nu ontbreekt een wettelijke bovengrens voor ‘goedkope en middeldure’ koopwoningen, waardoor gemeenten zelf de WOZ-grens bepalen en het verbod soms op een groot deel van de lokale voorraad toepassen. Komt dat plafond er, dan vallen woningen boven dat gemiddelde niet meer onder het verbod.
Wanneer je wel aan je kind of tijdelijk mag verhuren
Zolang de wetswijziging niet door het parlement is aangenomen, gelden in de circa 70 gemeenten de huidige regels uit artikel 41 van de Huisvestingswet 2014. Volgens het eerste en tweede lid geldt het verhuurverbod zonder vergunning gedurende vier jaar na de datum waarop de akte van levering bij het Kadaster in de openbare registers is ingeschreven, en dus niet vanaf het koopcontract. Daarbij moet de woning op die inschrijvingsdatum vrij van huur en gebruik zijn geweest, korter dan zes maanden verhuurd of gebruikt zijn geweest, of al met een opkoopbeschermingsvergunning zijn verhuurd.
Wie een woning koopt voor familie of zijn eigen huis tijdelijk wil verhuren, heeft nu al recht op een vergunning. Op grond van artikel 41 lid 3 onderdelen a, b en c moeten burgemeester en wethouders de verhuurvergunning in ieder geval in drie situaties verlenen:
- Verhuur aan eerste- of tweedegraads familie (onderdeel a): de woning wordt in gebruik gegeven aan een woningzoekende met een bloed- of aanverwantschap in de eerste of tweede graad met de eigenaar. Daaronder vallen ouders en kinderen (eerste graad) en grootouders, kleinkinderen, broers en zussen (tweede graad), inclusief aangetrouwde verwanten in die graad.
- Tijdelijke verhuur na eigen bewoning (onderdeel b): de eigenaar heeft na de Kadaster-inschrijving ten minste 12 maanden zelf zijn woonadres volgens de Basisregistratie Personen (BRP) in die woning gehad en spreekt schriftelijk af dat een woningzoekende het huis voor ten hoogste 12 maanden in gebruik neemt, anders dan voor toeristische verhuur.
- Woon-winkel- of kantoorpand (onderdeel c): de woonruimte maakt onlosmakelijk deel uit van een winkel-, kantoor- of bedrijfsruimte.
Alleen de eigenaar vraagt aan en 8 weken beslistermijn
Bij het aanvragen van zo'n verhuurvergunning gelden vaste spelregels. Volgens artikel 42 van de Huisvestingswet 2014 kan de vergunning uitsluitend worden aangevraagd door de eigenaar zelf, niet door het kind of de huurder, en volgens artikel 43 lid 1 kan zij alleen worden geweigerd op grond van een Bibob-integriteitstoets. Daarnaast geldt de vergunning volgens artikel 41 lid 4 alleen voor de specifieke vorm van gebruik waarvoor zij is verleend: verhuist je kind binnen de vierjaarstermijn, dan mag je de woning met die familie-vergunning niet aan een derden-huurder verhuren.
Burgemeester en wethouders moeten volgens artikel 43 lid 3 en 4 binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag beslissen en mogen die termijn eenmaal binnen die acht weken met hooguit zes weken verlengen. Blijft een besluit binnen die termijn uit, dan is volgens artikel 43 lid 5 (via paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht) de vergunning van rechtswege verleend.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.