mulder1

Dr. Gert-Jan Mulder: Kritische analyse van het advies tot intrekking van de erkenning van Ongehoord Nederland

Opinie07 sep , 16:15

Wilt u DDS vaker zien?

Stel DDS in als voorkeursbron op Google.

Voeg DDS toe op Google
Volg ons op Google Nieuws
Het advies om de erkenning van Ongehoord Nederland in te trekken roept fundamentele vragen op. Is de juridische onderbouwing sterk genoeg voor zo’n ingrijpende stap? Dr. Gert Jan Mulder analyseerde de brief van het Commissariaat voor de Media van 3 september 2026 en plaatst vijftien kritische kanttekeningen. Zijn centrale bezwaar: maatschappelijke verontwaardiging en een negatief bestuurlijk oordeel vormen op zichzelf geen wettelijke intrekkingsgrond. Hieronder volgt zijn volledige analyse.

1. Maatschappelijke verontwaardiging is geen wettelijke intrekkingsgrond

De brief opent met de “maatschappelijke verontwaardiging” over een uitzending waarin een fragment van een toespraak van Hitler is getoond. Dat kan politiek of maatschappelijk relevant zijn, maar het vormt op zichzelf geen wettelijke grond voor intrekking van een omroeperkenning. De juridische vraag is niet of een uitzending veel afkeuring oproept, maar welke concrete wettelijke norm is overtreden, of die overtreding rechtsgeldig is vastgesteld en of die overtreding binnen de wettelijke intrekkingsgrond valt.

2. De Hitler-uitzending wordt als bewijs gebruikt voordat de toezichtprocedure is afgerond

Het Commissariaat erkent zelf dat het onderzoek naar deze uitzending nog niet tot een definitieve maatregel heeft geleid. Niettemin wordt dezelfde uitzending in de brief al gebruikt als “directe aanleiding”, als onderdeel van een “patroon” en zelfs als “kantelpunt”. Dat is methodologisch en juridisch zwak. Een nog niet afgeronde toezichtzaak mag niet worden behandeld alsof de relevante normschending reeds vaststaat.

3. “Dit past in een patroon” is een kwalificatie, geen bewijs

De brief stelt dat de uitzending past in een patroon van onvoldoende waarborging van journalistieke kwaliteit. Voor een dergelijk patroon moeten de eerdere gevallen concreet worden geïdentificeerd: welke norm, welke datum, welke vaststelling, welke sanctie, welke procedurele status en welke overeenkomst tussen de incidenten? Zonder die specificatie blijft “patroon” vooral een conclusie van het Commissariaat zelf.

4. Twee sancties scheppen hoogstens een bevoegdheid; zij verplichten niet automatisch tot intrekking

Voor zover de Mediawet bepaalt dat intrekking kan worden overwogen na ten minste twee kwalificerende bestuurlijke sancties binnen één jaar, is daarmee slechts de bevoegdheidsdrempel bereikt. Dat is niet hetzelfde als de conclusie dat intrekking noodzakelijk, evenredig of passend is. De minister moet vervolgens zelfstandig de ernst, samenhang, verwijtbaarheid, herstelmaatregelen, actualiteit, proportionaliteit, subsidiariteit en gevolgen voor leden en publiek beoordelen.

5. “Formele maatregelen” is juridisch te ruim geformuleerd

De brief spreekt over twee “formele maatregelen”. De wet vereist echter dat het gaat om specifieke bestuurlijke sancties die onder de relevante wettelijke bepaling vallen. Daarom moet exact worden vastgesteld welke twee maatregelen worden bedoeld, op welke grondslag zij zijn genomen, of zij binnen dezelfde periode van één jaar vallen en of zij nog onderwerp zijn van bezwaar of beroep. Niet iedere toezichtinterventie of waarschuwing telt mee.

6. Journalistieke inhoud wordt zonder voldoende causaliteit gekoppeld aan bedrijfsvoering

De brief maakt een grote sprong van een omstreden uitzending naar de conclusie dat ON! de bedrijfsvoering niet op orde kan krijgen. Een redactioneel incident bewijst niet vanzelf ondeugdelijke inrichting, sturing of beheersing van bedrijfsprocessen. Daarvoor moet een concrete organisatorische oorzaak worden aangetoond, bijvoorbeeld structureel falende procedures, governance, intern toezicht, administratie of naleving van eerdere bindende aanwijzingen.

7. “Geen vertrouwen meer” is geen wettelijke norm

De formulering dat het Commissariaat “geen vertrouwen meer” heeft in ON! kan een bestuurlijk oordeel weergeven, maar vervangt geen juridisch bewijs. De wettelijke toets is objectief: voldoet ON! al dan niet aan de relevante erkenningseisen? Vertrouwen of gebrek daaraan kan niet als zelfstandige intrekkingsgrond dienen.

8. “Risico voor het vertrouwen van het publiek” is onvoldoende bepaald

De brief stelt dat de tekortkomingen een risico vormen voor het vertrouwen van het publiek in de publieke omroep. Dat roept vragen op: welk publiek, op basis van welke gegevens, hoe is dat risico gemeten en welk causaal verband bestaat met ON!? Bovendien is reputatieschade of maatschappelijke weerstand geen zelfstandige wettelijke intrekkingsgrond. In een pluriform bestel kan controversiële programmering juist per definitie afwijzende reacties oproepen.

9. De Evaluatiecommissie lijkt selectief te worden gebruikt

De brief verwijst naar de kritische bevindingen van de Evaluatiecommissie NPO 2025, maar een evenwichtige beoordeling vereist dat ook bevindingen die in het voordeel van ON! spreken worden meegewogen, waaronder de bijdrage aan pluriformiteit indien die door de commissie is erkend. Een bestuursorgaan kan niet zonder nadere motivering uitsluitend negatieve onderdelen uit een gemengd oordeel lichten wanneer de zwaarste sanctie wordt overwogen.

10. De afwijzende houding van andere omroepen bewijst geen wettelijke overtreding door ON!

Dat andere omroepen geen basis meer zien voor bestuurlijke samenwerking met ON! is op zichzelf geen bewijs dat ON! de Mediawet heeft overtreden. Samenwerking is relationeel. Er moet concreet worden vastgesteld welke wettelijke of bestuurlijke samenwerkingsverplichting bestond, welke gedraging ON! kan worden verweten, welke pogingen tot herstel zijn gedaan en of ook het handelen van andere betrokken partijen is meegewogen.

11. Bestelhervorming is geen zelfstandige grond voor toepassing van de huidige wet

De verwijzing naar de naderende bestelhervorming is bestuurlijk begrijpelijk maar juridisch problematisch. Een toekomstige herinrichting van het publieke bestel mag niet worden gebruikt om bestaande wettelijke intrekkingsgronden ruimer uit te leggen. ON! moet worden beoordeeld aan de hand van de op dat moment geldende wet en concrete feiten.

12. Artikel 2.178, financiële rechtmatigheid en journalistieke kwaliteit worden te gemakkelijk samengevoegd

De brief plaatst verschillende typen tekortkomingen naast elkaar: governance, rechtmatige besteding van publiek geld en journalistieke kwaliteitsnormen. Dat zijn onderscheiden juridische categorieën. Voor ieder onderdeel moet worden aangegeven welke norm precies is geschonden, wanneer, met welke ernst, of herstel heeft plaatsgevonden en waarom juist die feiten leiden tot het niet langer voldoen aan een erkenningseis.

13. “Structureel” wordt herhaald, maar onvoldoende bewezen

Voor structureel falen is meer nodig dan enkele incidenten of interventies. Er moet sprake zijn van duur, herhaling, onderlinge samenhang, onvoldoende herstel en actuele voortduring. De brief gebruikt termen als “structureel”, “patroon” en “langere tijd”, maar de hoofdtekst identificeert niet duidelijk één gemeenschappelijke, blijvende oorzaak die alle genoemde tekortkomingen verbindt.

14. Een mogelijke toekomstige maatregel hoort geen gewicht te krijgen in een huidige beslissing

De passage dat er “mogelijk” nog een formele maatregel bijkomt, is speculatief. Een besluit over intrekking moet worden gebaseerd op feiten en besluiten die op het moment van besluitvorming bestaan en voldoende zijn vastgesteld. Een nog mogelijke toekomstige sanctie mag niet worden meegewogen alsof die reeds is opgelegd.

15. Pluriformiteit vraagt juist om een verzwaarde proportionaliteitstoets

Het Commissariaat erkent zelf dat binnen het publieke bestel ruimte moet bestaan voor het geluid dat ON! vertegenwoordigt. Dat betekent dat intrekking gevolgen heeft die verder gaan dan een sanctie tegen één rechtspersoon: leden, kijkers en een bepaalde maatschappelijke stroming verliezen hun institutionele vertegenwoordiging binnen het bestel. Daarom moet zeer zorgvuldig worden gemotiveerd waarom een minder vergaande maatregel niet volstaat.
Daaruit volgt tevens: zelfs indien aan de wettelijke drempel van twee kwalificerende sancties binnen één jaar is voldaan, ontstaat daarmee nog niet automatisch een rechtvaardiging voor intrekking. Voor zover een verplichte intrekkingsgrond wordt ingeroepen, moet concreet worden bewezen dat ON! thans niet meer aan de relevante erkenningseis voldoet. Een gebrek aan vertrouwen, maatschappelijke verontwaardiging of bestuurlijke onwenselijkheid kan dat bewijs niet vervangen.

Punten die vóór ieder besluit moeten worden opgehelderd

  • Welke twee bestuurlijke sancties worden exact bedoeld, inclusief datum, wettelijke grondslag en procedurele status?
  • Welke concrete onderdelen van artikel 2.178 Mediawet zouden zijn overtreden en zijn die tekortkomingen nog actueel?
  • Welke feiten bewijzen dat de bedrijfsprocessen structureel ondeugdelijk zijn ingericht, gestuurd of beheerst?
  • Welke eerdere tekortkomingen vormen juridisch één samenhangend “patroon” en waarom?
  • Welke minder ingrijpende maatregelen zijn overwogen en waarom zouden die onvoldoende zijn?
  • Hoe zijn pluriformiteit, ledenbelangen, kijkersbelangen en vrijheid van informatie in de proportionaliteitstoets betrokken?
  • Welke onderdelen van de motivering berusten op definitief vastgestelde feiten en welke slechts op lopend onderzoek of verwachtingen?

Slotconclusie

Op basis van de hoofdbrief alleen is intrekking niet overtuigend gemotiveerd. De tekst bevat meerdere normatieve kwalificaties en causale sprongen die alleen houdbaar zijn indien de vertrouwelijke bijlage zeer concreet en overtuigend bewijs bevat. Zonder die onderbouwing bestaat een reëel risico dat een intrekkingsbesluit tekortschiet op het punt van wettelijke grondslag, zorgvuldige feitenvaststelling, evenredigheid en draagkrachtige motivering.
Punta del Este, 3 september 2026
Dr. Gert Jan Mulder MBA DBA
Ga verder met lezen
loading
Dit vind je misschien ook leuk
Laat mensen jouw mening weten

Loading