mulder1

Dr. Gert Jan Mulder: Hoe werd links de partij van de oorlog?

Opinie19 sep , 19:45

Wilt u DDS vaker zien?

Stel DDS in als voorkeursbron op Google.

Voeg DDS toe op Google
Volg ons op Google Nieuws
Er gebeurde deze week iets merkwaardigs in de Tweede Kamer.
Ralf Dekker hield een betoog waarvan de kern eigenlijk buitengewoon eenvoudig was. Je kunt het met zijn analyse eens of oneens zijn, maar zijn centrale vraag luidde: wat is uiteindelijk het Nederlandse belang? Hoe voorkomen we verdere escalatie met de grootste kernmacht ter wereld? Hoe beëindigen we een oorlog die inmiddels jaren duurt? En zou diplomatie, naast militaire druk, niet veel nadrukkelijker onderdeel moeten worden van de strategie?
Dekker formuleerde het zelf aldus:
„Ik vind juist dat het voortdurend meer bewapening toepassen de zaak alleen maar erger maakt. Dat kunnen we ook zien. We escaleren, terwijl we juist zouden moeten de-escaleren.”
En vervolgens:
„Mijn vraag is meer: hoe komen wij tot een vredessituatie die in het voordeel van Nederland is?”
Dat is een strategische vraag. Maar opmerkelijk genoeg verschoof het debat vrijwel onmiddellijk van die vraag naar de persoon die haar stelde.
Brekelmans reageerde:
„De heer Dekker doet nu alsof hij een soort tussenpositie inneemt, maar in feite zegt hij exact hetzelfde als Poetin.”
En even later:
„In plaats van dat hij heel duidelijk ‘dat vinden wij absoluut niet’ zegt, krijgen we weer dezelfde Kremlinriedel. Geef nou maar eens duidelijk aan waar u staat.”
Daarna kwam Paternotte. Hij bracht Dekkers contacten met Rusland ter sprake en zei:
„De heer Dekker is inderdaad de enige die contacten heeft met de partij van Vladimir Poetin. Vorig jaar vergaderde hij nog met senatoren van Verenigd Rusland. Hij loopt de deur plat bij de Russische ambassade.”
Nadat Dekker had uitgelegd dat hij tweemaal uitvoerig met de Russische ambassadeur had gesproken en dat daarbij ook MH17 ter sprake was gekomen, besloot Paternotte:
„Het is waanzinnig knap hoe de heer Dekker er altijd in slaagt om een-op-een het verhaal te vertellen dat het Kremlin dolgraag hier verteld wil hebben. Het is voor ons denk ik ook heel duidelijk aan welke kant de heer Dekker staat.”
En toen mengde ook Klaver zich in het debat:
„Hier valt niet mee te redeneren als dit wordt gezegd.”
Hij verbond Dekkers opmerkingen vervolgens aan MH17 en aan de 196 Nederlandse slachtoffers.

Karaktermoord in plaats van een strategisch debat

Wie het debat terugleest, ziet dus twee geheel verschillende denkwijzen tegenover elkaar staan.
Dekker vraagt: welke strategie vermindert vanaf vandaag de risico’s voor Nederland en vergroot de kans dat deze oorlog eindigt?
Zijn opponenten stellen daar een andere benadering tegenover: Rusland is de agressor, Oekraïne verdedigt zich, Russische agressie mag niet worden beloond en voortgezette steun aan Oekraïne is daarom niet alleen moreel maar ook strategisch in het Nederlandse en Europese belang.
Dat is een legitiem verschil van inzicht.
Maar het fascinerende is dat het debat vervolgens zo snel terechtkomt bij woorden als Poetin, Kremlinriedel, Russische ambassade en de vraag „aan welke kant” iemand staat.
Want Dekker staat met zijn strategische analyse bepaald niet alleen.

Realpolitik tegenover morele superioriteit

Jeffrey Sachs betoogt al geruime tijd dat een duurzame Europese veiligheidsorde uiteindelijk slechts mogelijk is wanneer niet alleen naar Oekraïense en westerse, maar ook naar Russische veiligheidspercepties wordt gekeken. Glenn Diesen, hoogleraar internationale betrekkingen aan de University of South-Eastern Norway en gespecialiseerd in geopolitiek en Russische buitenlandse politiek, redeneert vanuit een vergelijkbare realistische traditie.
Ook Douglas Macgregor, gepensioneerd kolonel van het Amerikaanse leger en nog altijd zeer actief als militair en geopolitiek commentator, behoort tot de uitgesproken critici van de westerse strategie.
Hun analyses zijn omstreden. Dat moet erbij worden gezegd. Veel Europese regeringen en veiligheidsexperts komen juist tot de tegenovergestelde conclusie: zij vrezen dat concessies onder militaire druk Rusland zouden belonen en toekomstige agressie waarschijnlijker zouden maken.
Maar dát is nu precies het debat dat gevoerd zou moeten worden.
Niet: aan welke kant staat u?
Maar: welke strategie werkt?

Van 'geen raket in de tuin' naar de vurigste oorlogshavik

En juist daar doet zich een van de merkwaardigste politieke verschuivingen van de afgelopen halve eeuw voor.
De linkse beweging waarmee velen van mijn generatie zijn opgegroeid, wantrouwde van nature generaals, defensie-industrieën, NAVO-strategieën en militaire interventies. Demonstreren tegen kruisraketten gold bijna als een progressieve burgerplicht. Diplomatie was verstandig. Détente was wenselijk. Bewapening moest met argwaan worden bekeken.
„Liever een Rus in de keuken dan een raket in de tuin” was weliswaar een karikaturale slogan, maar hij zei iets over het politieke klimaat van die tijd.
Vergelijk dat eens met vandaag.
Een belangrijk deel van sociaal-democratisch, groen en sociaal-liberaal Europa behoort inmiddels tot de krachtigste voorstanders van militaire steun aan Oekraïne, hogere defensie-uitgaven en langdurige politieke en economische druk op Rusland.
Dat betekent niet noodzakelijk dat links opeens „voor oorlog” is geworden. Vanuit hun eigen redenering geldt juist het tegenovergestelde. Zij menen dat vrede alleen duurzaam kan zijn wanneer militaire agressie niet wordt beloond en Oekraïne vanuit een zo sterk mogelijke positie kan onderhandelen.
Maar tegelijkertijd klinkt juist aan delen van de rechterzijde steeds vaker een taal die vroeger eerder bij de vredesbeweging hoorde: de-escalatie, nationaal belang, onderhandelingen, machtsevenwicht en rechtstreeks spreken met Moskou.
Daar zit een enorme ideologische verschuiving achter.
Een groot deel van Europees links ontwikkelde zich na de Koude Oorlog van traditioneel pacifisme naar liberaal internationalisme. Mensenrechten, bescherming van kleinere staten, de internationale rechtsorde en collectieve veiligheid gingen zwaarder wegen. Vanuit dat wereldbeeld kan militair ingrijpen soms juist als morele verplichting worden beschouwd.
Een deel van rechts maakte bijna de tegenovergestelde ontwikkeling door. Daar kwamen nationale soevereiniteit, begrensde internationale verplichtingen en klassieke realpolitik steeds centraler te staan.
De vraag luidt daar niet noodzakelijk: wie heeft moreel gelijk?
Maar eerder: welke regeling is haalbaar en welk beleid dient uiteindelijk het belang van het eigen land?

Praten met Moskou is geen capitulatie

Daarom praten beide politieke werelden zo vaak langs elkaar heen.
De ene stelt primair een morele vraag:
Mag agressie worden beloond?
De andere stelt primair een strategische vraag:
Hoe beëindig je deze oorlog zonder dat hij verder escaleert?
Beide vragen verdienen een serieus antwoord.
En precies daarom zou het verstandig zijn wanneer woorden als „Kremlinriedel” niet het einde, maar het begin van het inhoudelijke debat vormden.
Diplomatie betekent immers niet dat je Poetin bewondert.
Onderhandelen betekent niet capituleren.
Kennedy onderhandelde met Chroesjtsjov niet omdat hij communist was. Reagan sprak met Gorbatsjov niet omdat hij de Sovjet-Unie bewonderde.
Je onderhandelt juist met mensen met wie je fundamenteel van mening verschilt.
Misschien is dat wel de merkwaardigste politieke metamorfose van onze tijd: dat een belangrijk deel van links tegenwoordig benadrukt dat militaire kracht noodzakelijk is om vrede mogelijk te maken, terwijl een deel van rechts juist waarschuwt voor escalatie en vraagt wanneer de diplomatie weer centraal komt te staan.
Over welke strategie uiteindelijk het verstandigst is, kan men fundamenteel verschillen.
Maar wie op de vraag naar diplomatie slechts antwoordt met het woord „Poetin”, heeft die vraag nog niet beantwoord.
Ga verder met lezen
loading
Dit vind je misschien ook leuk
Laat mensen jouw mening weten

Loading