Nederland voert op 22 september 2026 een nationaal handelsverbod in voor goederen uit onrechtmatige Israëlische nederzettingen in de Palestijnse gebieden. Vanaf die datum wordt niet alleen de invoer verboden, maar ook het kopen en verkopen van de betreffende goederen.
Ook diensten die de
handel mogelijk maken en constructies om het verbod te omzeilen, vallen onder de maatregelen. Bedrijven die mogelijk met zulke goederen werken, krijgen daarmee twee maanden om hun leveranciers, administratie en herkomstcontroles tegen het licht te houden.
Voor consumenten is vooral belangrijk dat het niet gaat om een algemeen verbod op alle producten uit
Israël. De geografische herkomst van de goederen is bepalend.
Verbod gaat op 22 september in
Het kabinet legde het sanctiebesluit op 22 mei voor spoedadvies voor aan de Raad van State. Het uitgebrachte advies leidde niet tot aanpassingen. Het besluit is vervolgens gepubliceerd en treedt twee maanden later in werking.
Volgens het
nieuwsbericht van de Rijksoverheid worden vanaf 22 september vier soorten handelingen verboden:
-
goederen uit de betreffende nederzettingen invoeren;
-
deze goederen kopen of verkopen;
-
tussenhandeldiensten voor deze handel leveren;
-
de verboden doelbewust omzeilen.
Het besluit gaat dus verder dan alleen goederen aan de grens tegenhouden. Ook handel die binnen Nederland plaatsvindt, kan onder de regels vallen.
Geen algemeen verbod op Israëlische producten
De omschrijving van het verbod verdient nauwkeurigheid. Producten uit Israël worden niet in algemene zin verboden. Het gaat om goederen die afkomstig zijn uit onrechtmatige Israëlische nederzettingen in de Palestijnse gebieden waarop het besluit betrekking heeft.
Voor winkels en consumenten kan het onderscheid lastig zijn wanneer op een verpakking alleen een algemene landsaanduiding of de naam van een exporteur staat. De verantwoordelijkheid voor correcte herkomstinformatie ligt in de eerste plaats bij de partijen die de producten invoeren en verhandelen.
Consumenten hoeven niet zelfstandig buitenlandse productieketens te onderzoeken voordat zij iets in een reguliere Nederlandse winkel kopen. Zij kunnen wel vragen stellen wanneer de herkomst onduidelijk is.
Voor importeurs en handelaren ligt dat anders. Zij zullen aannemelijk moeten kunnen maken waar hun goederen zijn geproduceerd of geoogst.
Ondernemers moeten keten controleren
Bedrijven die rechtstreeks of via tussenpersonen goederen uit de regio inkopen, doen er verstandig aan hun leveranciers nu al om documentatie te vragen.
Denk aan informatie over de productielocatie, facturen, douanedocumenten en verklaringen over de oorsprong. Alleen een postadres van het hoofdkantoor zegt niet altijd waar een product werkelijk vandaan komt.
Ook ondernemingen die zelf niets invoeren maar goederen bij een groothandel inkopen, kunnen met het verbod te maken krijgen. De verkoop van de goederen wordt immers eveneens verboden.
Daarom is het verstandig om vóór 22 september in kaart te brengen:
-
welke producten mogelijk uit het betrokken gebied komen;
-
welke leverancier en tussenhandelaar daarbij betrokken zijn;
-
welke herkomstdocumenten beschikbaar zijn;
-
welke contractuele afspraken gelden bij foutieve informatie;
-
wat met bestaande voorraden moet gebeuren.
De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zal aanvullende informatie publiceren. Ondernemers kunnen volgens het kabinet ook rechtstreeks contact opnemen met RVO voor advies.
Omzeilen is eveneens verboden
Het besluit bevat uitdrukkelijk een verbod op omzeiling. Het is dus niet toegestaan om de herkomst op papier te veranderen, goederen via een derde land te laten lopen of een tussenpersoon te gebruiken met als doel de maatregelen te ontwijken.
Ook diensten die handel mogelijk maken, worden genoemd. Dat kan relevant zijn voor handelsagenten en andere zakelijke dienstverleners rond een transactie.
Welke controles in de praktijk van iedere onderneming worden verwacht, zal mede afhangen van de aanvullende uitvoeringsinformatie. Bedrijven met concrete handelsrelaties doen er daarom verstandig aan niet tot september te wachten.
Wat merkt de consument?
Het kabinet heeft geen raming gepubliceerd van de gevolgen voor winkelprijzen. Het is daarom te vroeg om te beweren dat boodschappen of andere producten hierdoor aantoonbaar duurder worden.
De betreffende goederen vormen bovendien maar een beperkt onderdeel van het totale Nederlandse aanbod. Winkels kunnen mogelijk uitwijken naar andere producenten of herkomstgebieden.
Wel kunnen specifieke producten uit het schap verdwijnen wanneer geen toegestane vervanger beschikbaar is of wanneer de herkomst onvoldoende kan worden vastgesteld. Het effect zal waarschijnlijk per productgroep en winkel verschillen.
Consumenten moeten daarbij oppassen voor onjuiste lijsten die via sociale media worden verspreid. Het feit dat een merk Israëlisch is, in Israël verkoopt of een Israëlische eigenaar heeft, bewijst niet dat een specifiek product uit een nederzetting afkomstig is. Het nieuwe verbod draait om de herkomst van de goederen.
Bestaand ontmoedigingsbeleid blijft gelden
Nederland voert sinds 2006 al een ontmoedigingsbeleid voor activiteiten die rechtstreeks bijdragen aan de aanleg of instandhouding van nederzettingen. Dat beleid blijft naast het nieuwe handelsverbod bestaan.
Het verschil is dat er nu voor de genoemde goederen een juridisch verbod komt. Importeren, kopen, verkopen of faciliteren wordt na 22 september niet langer alleen ontmoedigd, maar verboden.
Daarmee verandert de situatie vooral voor bedrijven die zulke goederen in hun keten kunnen hebben. Zij moeten niet alleen een politieke of reputatieafweging maken, maar ook nagaan of hun handel na de ingangsdatum juridisch is toegestaan.
Voor gewone consumenten is de belangrijkste conclusie eenvoudiger: niet alle Israëlische producten verdwijnen uit Nederlandse winkels. Alleen goederen uit de locaties waarop het sanctiebesluit van toepassing is, vallen onder het verbod. De komende weken moet aanvullende informatie van RVO duidelijker maken hoe bedrijven de herkomst in de praktijk moeten vaststellen.