De Nederlandse inflatie bedroeg in juni 2,9 procent. Toch hebben consumenten het gevoel dat de prijzen met ongeveer 8 procent stijgen. De kloof tussen de officiële statistiek en wat mensen in hun portemonnee ervaren, is sinds de energiecrisis opvallend groot gebleven. Dat blijkt uit
nieuwe cijfers over de gevoelsinflatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Volgens het CBS ligt de gemeten inflatie al ongeveer tweeënhalf jaar rond de 3 procent. De gevoelsinflatie blijft daarentegen rond de 8 procent hangen.
Dat verschil betekent niet automatisch dat consumenten zich vergissen. De inflatie meet namelijk iets anders dan veel mensen denken.
Lagere inflatie betekent niet dat prijzen dalen
Wanneer de inflatie afneemt, worden
boodschappen, verzekeringen of energierekeningen niet vanzelf goedkoper. Een inflatie van 2,9 procent betekent dat het gemiddelde prijsniveau nog altijd 2,9 procent hoger ligt dan een jaar eerder.
Alle prijsstijgingen uit de voorgaande jaren blijven daarbij grotendeels bestaan. Als een product eerst van 2 naar 2,50 euro steeg en een jaar later nog eens enkele procenten duurder werd, voelt die eerdere sprong nog steeds door in het huishoudbudget.
De snelheid waarmee prijzen stijgen is dus afgenomen. Het prijsniveau zelf is niet teruggekeerd naar dat van vóór de energiecrisis.
Niet ieder huishouden koopt het gemiddelde boodschappenmandje
Het CBS berekent de inflatie aan de hand van een groot pakket goederen en diensten. Daarin zitten onder meer voeding, energie, vervoer, kleding, wonen, recreatie en communicatie.
Een individueel huishouden koopt echter niet precies dat gemiddelde pakket. Iemand met een laag of middeninkomen geeft relatief veel uit aan huur, energie en boodschappen. Prijsveranderingen in juist die categorieën vallen dan extra op.
Een huishouden met een hoger inkomen kan een groter deel van het geld besteden aan producten en diensten waarvan de prijs minder sterk stijgt. De persoonlijke inflatie kan daardoor afwijken van het landelijke percentage.
Het CBS biedt hiervoor ook een
persoonlijke inflatiecalculator, waarmee huishoudens hun eigen uitgavenpatroon kunnen vergelijken met het officiële gemiddelde.
Dagelijkse prijzen blijven beter hangen
Mensen worden bijna dagelijks geconfronteerd met de prijs van brood, koffie, benzine en boodschappen. Een stijging bij zulke herkenbare producten blijft doorgaans beter hangen dan een prijsdaling bij iets wat maar eens in de paar jaar wordt gekocht.
Een goedkopere televisie compenseert in de officiële inflatieberekening mogelijk een deel van duurdere boodschappen. Voor iemand die helemaal geen nieuwe televisie nodig heeft, levert die prijsdaling uiteraard niets op.
Ook worden prijsverhogingen doorgaans sterker onthouden dan tijdelijke aanbiedingen of kleine prijsdalingen. Dat draagt bij aan het verschil tussen de gemeten en ervaren inflatie.
Sinds de energiecrisis is de kloof veel groter
Voor 2022 lag de gevoelsinflatie dichter bij de officiële cijfers. Tijdens en na de energiecrisis liep het verschil sterk op.
In juli 2023 bedroeg de officiële inflatie bijvoorbeeld 4,6 procent, terwijl consumenten deze op ongeveer 15 procent inschatten. Inmiddels is het verschil kleiner geworden, maar de gevoelsinflatie is volgens het CBS nog altijd ongeveer tweemaal zo hoog als vóór de energiecrisis.
De langdurige prijsstijgingen hebben kennelijk een diepe indruk achtergelaten. Huishoudens vertrouwen er nog niet op dat de periode van forse prijsstijgingen definitief voorbij is.
Een op de drie verwacht verdere prijsstijgingen
In juni verwachtte 32,5 procent van de ondervraagden dat de inflatie verder zou oplopen. Dat is lager dan de 55 procent in april, maar aanzienlijk hoger dan enkele jaren geleden.
Het CBS noemt de spanningen in het Midden-Oosten en zorgen over brandstofprijzen als mogelijke verklaringen. Energie en vervoer werken bovendien door in andere prijzen, omdat winkels en producenten eveneens betalen voor transport, verwarming en elektriciteit.
Wat betekent dit voor je portemonnee?
Het officiële inflatiecijfer blijft belangrijk voor economische beslissingen, loononderhandelingen en uitkeringen. Maar voor het eigen huishoudbudget is het minstens zo nuttig om naar de persoonlijke uitgaven te kijken.
Vergelijk daarom niet alleen losse prijzen, maar controleer vooral welke vaste en terugkerende kosten in een jaar zijn veranderd:
-
boodschappen;
-
huur of hypotheek;
-
energie;
-
verzekeringen;
-
vervoer;
-
telefoon en internet;
-
gemeentelijke lasten;
-
abonnementen.
Een inflatie van 2,9 procent is economisch gunstiger dan de dubbele cijfers tijdens de energiecrisis. Maar dat betekent niet dat gezinnen nu weer dezelfde koopkracht of hetzelfde prijsniveau ervaren als vóór 2022. De statistiek laat zien dat de prijsstijging vertraagt; de kassabon herinnert consumenten ondertussen nog iedere dag aan alles wat al duurder is geworden.