Wanneer een ouder hertrouwt en overlijdt, krijgen de kinderen uit een eerdere relatie meestal nog geen geld in handen, maar een vordering op de langstlevende stiefouder. Om te berekenen hoe groot dat bedrag is, hebben zij inzicht nodig in de bankrekeningen en bezittingen van hun overleden ouder. In een
beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, die dinsdag is gepubliceerd, wilde een stiefmoeder dat onderzoek alleen uitvoeren als haar twee stiefkinderen eerst €5.000 voorschot betaalden. De kantonrechter in Utrecht zet daar een streep door.
De zaak draait om de nalatenschap van een in 1940 geboren man die in 2024 overleed. Hij was getrouwd met een vrouw die uit Polen komt. De man had twee kinderen; zijn vrouw is niet hun moeder. In zijn testament van 7 december 2023 week hij niet af van de wettelijke erfopvolging, waardoor zijn echtgenote en de twee kinderen samen de erfgenamen zijn. Ook verklaarde hij de
wettelijke verdeling van artikel 4:13 en 4:14 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing en benoemde hij zijn echtgenote tot executeur.
Door die wettelijke verdeling gingen alle bezittingen van de vader bij zijn overlijden over op de stiefmoeder, met de plicht om de schulden van de nalatenschap te voldoen. De twee kinderen kregen een geldvordering op hun stiefmoeder ter grootte van hun erfdeel, die in beginsel pas opeisbaar is wanneer ook zij overlijdt. De kinderen aanvaardden de nalatenschap beneficiair en vroegen hun stiefmoeder om de administratie en bankafschriften, zodat de omvang van hun vordering kon worden vastgesteld.
Volgens de stiefmoeder ruim €228.000 per kind
De stiefmoeder en de twee kinderen raakten het niet eens over welke bezittingen en bankrekeningen tot de erfenis behoorden. Volgens de berekening van de stiefmoeder zelf ging het al om grote bedragen. Zij vroeg de kantonrechter de vordering van het ene kind vast te stellen op €228.955,50, of op €223.955,50 na aftrek van €5.000 voor een Volvo die dat kind volgens haar van zijn vader had gekocht. De vordering van het andere kind zou €229.027,44 zijn.
De kinderen vermoedden dat er meer vermogen was dan uit de gedeelde stukken bleek. Zij wezen erop dat hun vader mogelijk nog andere Nederlandse en Poolse bankrekeningen en onroerend goed in Polen had. Omdat de stiefmoeder executeur was, konden de kinderen die gegevens niet zelf bij de banken opvragen.
Waarom het voorschot van €5.000 sneuvelt
De stiefmoeder verzette zich tegen het verstrekken van extra stukken. Voor het geval er toch onderzoek moest komen naar bankrekeningen en vastgoed van haar overleden man in Polen, wilde zij dat de kinderen dat onderzoek zelf binnen twee maanden zouden doen en betalen. Moest zij als executeur de stukken zelf opvragen, dan vroeg zij de rechter te bepalen dat de stiefkinderen de kosten droegen en haar daarvoor een voorschot van €5.000 betaalden.
De kantonrechter wijst dat af. Kosten die worden gemaakt om de omvang van een nalatenschap in kaart te brengen, zijn volgens
artikel 4:7 lid 1 onder d van het Burgerlijk Wetboek kosten van de executele. Ze vormen een schuld van de nalatenschap zelf en komen dus niet vooraf voor rekening van de kinderen. Op de stukken zelf hebben de kinderen recht via artikel 4:16 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek: de langstlevende echtgenoot en ieder kind mogen van elkaar alle stukken inzien en kopiëren die ze nodig hebben om hun aanspraak te berekenen. De kinderen noemden dat artikel zelf niet, maar de rechter paste het toch toe.
Bankafschriften vanaf 2019, in Nederland en Polen
De stiefmoeder moet uiterlijk op 23 december 2026 een reeks documenten aan de kinderen geven. Het gaat om alle bankafschriften vanaf 2019 tot en met de sterfdag van twee rekeningen die in elk geval mede op naam van de vader stonden.
Daarnaast moet zij bij ING en Regiobank (nu mogelijk ASN Bank) een overzicht opvragen van alle rekeningen die op de sterfdag op naam van de vader stonden. Staan daar ook andere betwiste rekeningen op, dan moet zij ook daarvan de afschriften vanaf 2019 afgeven. Verder moet zij uit Polen een overzicht leveren van eventuele Poolse rekeningen van de vader en een verklaring waaruit blijkt of hij op zijn sterfdag eigenaar was van vastgoed in Polen.
Grens aan inzage: eigen vermogen stiefmoeder blijft privé
De kinderen kregen niet op elk punt gelijk. Zij wilden ook een overzicht van onroerend goed in Polen op naam van de stiefmoeder zelf, met de financiering daarvan. Dat wijst de kantonrechter af als een "fishing expedition". De informatieplicht ziet op het vermogen van de overleden vader, niet op het privévermogen van de stiefmoeder.
Ook de dwangsom van €500 per dag en de termijn van veertien dagen die de kinderen wilden, wijst de rechter af. Veertien dagen vindt de rechter veel te kort; de stiefmoeder krijgt drie maanden, zoals ze zelf voor de stukken uit Polen had gevraagd. Een dwangsom is niet nodig, omdat er volgens de rechter geen reden is om aan te nemen dat ze zich niet aan de uitspraak houdt. De kinderen krijgen daarna tot 23 maart 2027 de tijd om de hoogte van hun vorderingen te onderbouwen.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.