Het traditionele huishouden van twee partners onder één dak is nog altijd de meest voorkomende woonvorm, maar het aandeel neemt af. Nog ongeveer 60 procent van de volwassen Nederlanders woont samen met een partner. De overige vier op de tien wonen zonder partner in huis. Dat heeft gevolgen voor de woningmarkt én voor de maandelijkse lasten die huishoudens zelf moeten dragen. Bij de cijfers is een belangrijke kanttekening nodig. Vier op de tien volwassenen wonen niet met een partner samen, maar dat betekent niet dat al deze mensen alleen wonen. Ongeveer 30 procent van de volwassenen woont daadwerkelijk alleen. Nog eens circa 10 procent heeft wel een vaste relatie, maar deelt geen
woning met de partner.
Onder de groep zonder inwonende partner bevinden zich bovendien
alleenstaande ouders, volwassenen die bij hun ouders wonen en mensen die een woning met anderen delen.
Volgens cijfers die door
RTL Nieuws op een rij zijn gezet, woonden begin 2025 ongeveer 5,7 miljoen volwassenen niet samen met een partner. Van hen woonden zo’n 4,4 miljoen mensen alleen. Daarnaast telde Nederland ruim 600.000 alleenstaande ouders.
Eén woning voor steeds minder mensen
Voor de woningmarkt maakt het veel uit of vier volwassenen samen twee
woningen of vier afzonderlijke woningen nodig hebben. Naarmate huishoudens kleiner worden, zijn meer voordeuren, keukens, badkamers en woonkamers nodig voor hetzelfde aantal inwoners.
De gemiddelde huishoudensgrootte is in enkele decennia sterk afgenomen. In 1965 bestond een huishouden gemiddeld nog uit ongeveer 3,45 personen. Inmiddels ligt dat aantal rond de 2,1.
Dat betekent niet dat mensen “verkeerd” wonen. Een scheiding, het overlijden van een partner, langer zelfstandig wonen op hoge leeftijd of bewust kiezen voor een latrelatie zijn allemaal normale levenssituaties. Voor woningbouwers en gemeenten ontstaat wel een ingewikkelde rekensom: bevolkingsgroei is niet de enige factor die bepaalt hoeveel woningen nodig zijn.
Ook bij een gelijkblijvend inwonertal kan de vraag naar woonruimte toenemen wanneer meer mensen afzonderlijk gaan wonen.
Alleen wonen betekent alle vaste lasten zelf dragen
Voor de portemonnee kan alleen wonen behoorlijk aantikken. Een alleenwonende kan de huur of hypotheek, internetrekening, gemeentelijke belastingen en energiekosten niet delen met een inwonende partner.
Sommige kosten zijn bij één persoon wel lager. Een alleenwonende gebruikt doorgaans minder water en doet minder boodschappen dan een gezin. Andere uitgaven dalen nauwelijks mee. Een internetabonnement, opstalverzekering of aansluiting op het energienet wordt niet automatisch de helft goedkoper omdat er maar één persoon in huis woont.
Daardoor kunnen alleenwonenden relatief veel van hun inkomen kwijt zijn aan vaste lasten. Dat wordt vooral merkbaar bij huur- en koopwoningen in de vrije sector, waar de betaalbaarheid sterk afhangt van één inkomen.
Ook het verkrijgen van een hypotheek kan lastiger zijn. Twee inkomens bieden meestal meer leenruimte en maken het gemakkelijker om onverwachte uitgaven op te vangen. Een alleenstaande koper moet de volledige financiering op eigen kracht rondkrijgen, terwijl dezelfde biedingsprijzen gelden als voor stellen.
Nederland komt 384.000 woningen tekort
De grotere vraag naar zelfstandige woonruimte komt boven op een bestaand tekort. Volgens
Volkshuisvesting Nederland zijn er in 2026 ongeveer 427.000 woningvragers tegenover 43.000 beschikbare woningen. Daarmee komt het statistische woningtekort uit op 384.000 woningen, oftewel 4,6 procent van de voorraad.
Een tekort van ongeveer 2 procent wordt gezien als een aanvaardbaar niveau waarbij nog enige beweging op de markt mogelijk is. Om dat percentage nu te bereiken, zouden er direct 213.000 woningen extra beschikbaar moeten komen.
De overheid verwacht dat het tekort de komende jaren afneemt, maar een snelle oplossing ligt niet voor de hand. Bouwprojecten hebben te maken met hoge kosten, lange procedures, beperkte ruimte, netcongestie en problemen rond vergunningverlening.
Nieuwe woningen worden kleiner
De bouwsector speelt ondertussen wel in op de veranderende samenstelling van huishoudens. Er worden steeds meer appartementen gebouwd en nieuwe woningen worden gemiddeld kleiner.
Uit
CBS-cijfers over de woningvoorraad blijkt dat een nieuwbouwwoning in 2021 gemiddeld 118 vierkante meter groot was. Begin 2026 was dat gedaald naar 99 vierkante meter. Een nieuw appartement kromp in dezelfde periode gemiddeld van 73 naar 65 vierkante meter.
In 2025 werden ongeveer 69.000 nieuwbouwwoningen opgeleverd. Bijna 40.000 daarvan waren appartementen of boven- en benedenwoningen. Ook in de afgegeven vergunningen vormen appartementen inmiddels de meerderheid.
Kleinere woningen kunnen beter aansluiten bij alleenwonenden en oudere huishoudens die niet langer een groot huis nodig hebben. Dat betekent echter niet automatisch dat ze betaalbaar zijn. Een compact appartement op een dure locatie kan per vierkante meter juist bijzonder kostbaar zijn.
De woningmarkt draait steeds minder om het klassieke gezin
De ontwikkeling zal waarschijnlijk doorzetten. Het
CBS verwacht dat de groei van het aantal huishoudens de komende decennia vooral wordt veroorzaakt door meer alleenstaanden. In 2025 woonden circa 3,4 miljoen inwoners alleen; richting 2070 kan dat oplopen naar ruim 4,3 miljoen.
Dat vraagt niet uitsluitend om méér woningen, maar ook om andere woningen: kleinere koopwoningen, betaalbare huurappartementen en geschikte woonruimte voor ouderen die zelfstandig willen blijven wonen.
De vier op de tien volwassenen zonder inwonende partner vormen geen tijdelijke uitzondering meer. Ze zijn een structureel onderdeel van Nederland geworden. Wie de
woningnood wil begrijpen, moet daarom niet alleen tellen hoeveel mensen erbij komen, maar vooral hoeveel afzonderlijke huishoudens al die mensen samen vormen.