Werken naast een bijstandsuitkering kan financieel onrustiger uitpakken dan buitenstaanders denken. De ene maand staan er meer diensten op het rooster dan de andere. Vervolgens lopen salaris, uitkering en toeslagen niet altijd netjes gelijk. Vanaf 2027 krijgen gemeenten een nieuw middel om zulke schommelingen op te vangen: een bufferbudget van maximaal €1.000 per jaar. Een paar extra diensten draaien zou moeten betekenen dat er meer geld binnenkomt. Voor iemand met een aanvullende bijstandsuitkering is de werkelijkheid vaak minder overzichtelijk.
Het salaris over de gewerkte uren wordt door de gemeente verrekend met de uitkering. Wanneer het aantal uren per maand verschilt, verandert ook het bedrag dat de gemeente moet aanvullen. Een loonperiode van vier weken sluit bovendien niet altijd netjes aan op een kalendermaand.
Daardoor kan iemand tijdelijk minder ontvangen dan het sociaal minimum, terwijl hij volgens de administratie wel gewoon recht heeft op voldoende inkomen. De correctie komt soms pas later. De huur en energierekening wachten daar niet op.
Met het nieuwe bufferbudget moeten gemeenten zulke gaten vanaf 1 januari 2027 gemakkelijker kunnen dichten.
Maximaal €1.000 per jaar
De
Rijksoverheid legt bij de nieuwe bijstandsregels uit dat gemeenten maximaal €1.000 per jaar mogen verstrekken.
De regeling is bedoeld voor mensen die parttime werken naast een bijstandsuitkering en door schommelingen in hun inkomen in een bepaalde maand onder het sociaal minimum belanden.
Het maximumbedrag is geen vaste bonus die iedere werkende bijstandsontvanger in januari krijgt. De gemeente bekijkt of werkelijk een financieel gat is ontstaan en hoeveel nodig is om dat op te vangen.
Het kan daardoor om één aanvulling gaan, maar ook om verschillende kleinere bedragen gedurende het jaar. Boven het jaarlijkse maximum van €1.000 kan de gemeente vanuit dit specifieke bufferbudget niet verder aanvullen.
Geen verlaging van huur- of zorgtoeslag
Een belangrijk voordeel is dat het bufferbudget niet als gewoon inkomen telt voor belastingen en toeslagen. De aanvulling hoeft daardoor volgens de Rijksoverheid niet te leiden tot een lagere huurtoeslag of zorgtoeslag.
Dat is essentieel. Een regeling die aan de ene kant honderd euro geeft en aan de andere kant een deel van de toeslagen afpakt, zou weinig rust opleveren.
Ook fiscaal wordt het bufferbudget niet als inkomen behandeld. De ontvanger hoeft dus niet bang te zijn dat het volledige voordeel bij een volgende belastingaangifte alsnog verdwijnt.
Andere inkomsten uit werk blijven uiteraard wel meetellen. Alleen de gemeentelijke aanvulling uit het bufferbudget krijgt deze bijzondere behandeling.
Gemeente mag bijspringen, maar hoeft niet automatisch te betalen
De formulering van de nieuwe regel verdient aandacht. Gemeenten mogen het budget vanaf 2027 gebruiken. Er komt geen automatische betaling vanuit UWV, de Belastingdienst of een landelijke uitkeringsinstantie.
De uitvoering ligt bij de eigen gemeente. Die moet bepalen hoe inwoners worden geïnformeerd, hoe een tekort wordt vastgesteld en of een afzonderlijke aanvraag nodig is.
Wie parttime werkt en geregeld met sterk wisselende bedragen te maken heeft, kan daarom beter niet wachten tot de eerste krappe maand van 2027. Vraag de gemeente vooraf hoe het bufferbudget lokaal wordt uitgevoerd.
Een praktische vraag is bijvoorbeeld: kijkt de gemeente zelf naar de maandelijkse verrekening, of moet de inwoner melden dat het totale inkomen onder het sociaal minimum is gebleven?
Gemeenten krijgen de mogelijkheid, maar dat garandeert nog niet dat iedere administratie op 1 januari onmiddellijk probleemloos werkt.
Voor wie kan het verschil maken?
Denk aan een alleenstaande ouder die in een winkel werkt en de ene maand twaalf diensten draait, maar in de volgende maand slechts zes. Of aan iemand in de horeca die in een drukke periode meer uren krijgt en daarna vrijwel niet wordt ingeroosterd.
Het totale inkomen over verschillende maanden kan gemiddeld redelijk lijken. De boodschappen moeten echter iedere week worden betaald. Een tekort van tweehonderd euro in één specifieke maand kan al snel leiden tot roodstand, een gemiste incasso of een betalingsregeling bij de energieleverancier.
Het bufferbudget is niet bedoeld om werken structureel extra te belonen. Het moet voorkomen dat de administratieve verwerking van wisselend loon iemand tijdelijk onder het minimale bestaansniveau duwt.
Daarom is een overzicht per maand belangrijker dan alleen het totale jaarinkomen.
Bewaar loonstroken en uitkeringsspecificaties
Wie mogelijk van de regeling gebruik wil maken, doet er verstandig aan de loonstroken, werkroosters en uitkeringsspecificaties bij elkaar te houden. Vergelijk per maand wat aan salaris en
bijstand is ontvangen.
Kijk daarbij naar de periode waarop het salaris betrekking heeft. Een betaling in februari kan geheel of gedeeltelijk gaan over uren die in januari zijn gewerkt. Dat soort verschillen veroorzaakt juist de verwarring die het bufferbudget moet helpen oplossen.
Zakt het gezamenlijke bedrag onder de toepasselijke bijstandsnorm, neem dan contact op met de gemeente en vraag expliciet naar het bufferbudget uit de Participatiewet.
Sinds 2026 gelden al verschillende soepelere bijstandsregels. Zo mogen ontvangers onder voorwaarden jaarlijks tot €1.200 aan giften krijgen. DDS legde eerder uit
hoe die nieuwe grens voor giften en boodschappenhulp werkt.
Het bufferbudget is daarvan een afzonderlijke regeling. Een bijdrage van familie en een gemeentelijke aanvulling wegens schommelend loon zijn niet hetzelfde.
Extra werken moet niet tot een lege rekening leiden
Veel mensen willen graag enkele dagen per week werken, ook als een volledige baan voorlopig niet haalbaar is. Dan helpt het niet wanneer iedere extra dienst een ingewikkelde keten van verrekeningen en vertraagde correcties veroorzaakt.
Het nieuwe budget lost niet ieder probleem rond werken vanuit de bijstand op. Met maximaal €1.000 per jaar blijft de ruimte beperkt. Ook hangt veel af van de manier waarop gemeenten het uitvoeren.
Toch kan het voor een huishouden precies genoeg zijn om een moeilijke maand zonder nieuwe schuld door te komen.
De verstandigste voorbereiding is eenvoudig: controleer vanaf januari iedere loonstrook en uitkeringsspecificatie, bewaar het maandelijkse overzicht en vraag de gemeente hoe zij het bufferbudget toepast. Wie weet dat de regeling bestaat, staat een stuk sterker wanneer er ondanks het gewerkte loon ineens te weinig geld op de rekening staat.