mulder1

Censuur zonder verbod: Dr. Gert Jan Mulder fileert hoe platforms, werkgevers en algoritmes het vrije woord smoren

Opinie•

Wilt u DDS vaker zien?

Stel DDS in als voorkeursbron op Google.

Voeg DDS toe op Google
Volg ons op Google Nieuws
Vrijheid van meningsuiting behoort tegenwoordig tot de rechten die in democratische samenlevingen zo vanzelfsprekend klinken dat gemakkelijk wordt vergeten hoe uitzonderlijk zij historisch gezien eigenlijk is. Gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis was het niet vanzelfsprekend dat een individu vrijelijk kritiek kon leveren op een koning, een kerk, een religie, een regering of zelfs op de heersende moraal. Het tegenovergestelde was gebruikelijk. Macht bepaalde niet alleen wat mensen moesten doen, maar in belangrijke mate ook wat zij mochten zeggen en soms zelfs wat zij geacht werden te geloven.
De geschiedenis van de vrijheid van meningsuiting is daarom veel meer dan de geschiedenis van één juridisch recht. Zij is de geschiedenis van een fundamentele verandering in de verhouding tussen het individu en de macht. De kernvraag is daarbij steeds dezelfde geweest: wie mag uiteindelijk bepalen wat gezegd mag worden?
In feodale samenlevingen bestond vrijheid van meningsuiting in moderne zin nauwelijks. De maatschappelijke orde was hiërarchisch. Bovenaan stonden vorst, adel en kerk; daaronder bevond zich de grote meerderheid van de bevolking. De mens was in de eerste plaats onderdaan, geen autonome burger met onvervreemdbare rechten. Kritiek op de wereldlijke macht kon worden beschouwd als opruiing of hoogverraad, terwijl afwijkende religieuze ideeën als ketterij konden worden vervolgd. Politieke, religieuze en morele waarheid werden niet beschouwd als zaken waarover iedere burger zelfstandig mocht oordelen.
Dat betekent niet dat mensen geen ideeën hadden of nooit kritiek leverden. Natuurlijk gebeurde dat wel. Maar er bestond geen algemeen erkend beginsel dat de macht verplichtte afwijkende meningen te dulden. Dat onderscheid is fundamenteel. Vrijheid van meningsuiting ontstaat pas werkelijk wanneer niet langer de spreker zijn recht om te spreken hoeft te rechtvaardigen, maar de machthebber moet uitleggen waarom hij iemand het zwijgen oplegt.
Toch vinden we al in het oude Griekenland een interessante voorloper. De Grieken gebruikten het begrip parrhesia: vrijuit, openlijk en zonder angst spreken. In de Atheense democratie werd het vermogen om publiekelijk een mening te uiten gezien als een belangrijk onderdeel van het burgerschap. Politieke besluitvorming veronderstelde immers debat, tegenspraak en argumentatie. Maar deze vrijheid was verre van universeel. Athene was tegelijkertijd een samenleving waarin vrouwen geen volwaardig politiek burgerschap hadden, slavernij normaal was en vreemdelingen van grote delen van het politieke leven waren uitgesloten. Parrhesia was daarom geen mensenrecht in onze moderne betekenis, maar zij introduceerde wel een idee dat eeuwen later opnieuw fundamenteel zou worden: politieke macht behoort geconfronteerd te kunnen worden met tegenspraak.

De drukpers als bedreiging voor de macht

Een van de grootste revoluties in de geschiedenis van de menselijke communicatie vond plaats in de vijftiende eeuw. Rond 1450 ontwikkelde Johannes Gutenberg in Mainz, in het huidige Duitsland, een systeem waarmee teksten met losse, herbruikbare metalen letters op relatief grote schaal konden worden gedrukt. Druktechnieken bestonden al veel eerder in Azië: in China werd al eeuwen met blokdruk gewerkt, Bi Sheng experimenteerde in de elfde eeuw met losse letters en in Korea werden in de dertiende eeuw metalen losse letters gebruikt. Gutenbergs betekenis lag dus niet in het feit dat hij als eerste mens ooit drukte, maar in de combinatie van metalen letters, geschikte inkt, een efficiënte pers en een productiemethode die in Europa een ongekende schaalvergroting mogelijk maakte.
Het belang daarvan kan nauwelijks worden overschat. Voor Gutenberg moesten boeken grotendeels met de hand worden gekopieerd of met omslachtige druktechnieken worden vervaardigd. Kennis was daardoor schaars, duur en relatief gemakkelijk controleerbaar. De drukpers veranderde dat radicaal. Een idee kon plotseling honderden of duizenden mensen bereiken, en daarmee ontstond voor machthebbers een nieuw probleem. Een ketterse gedachte die vroeger misschien in een klooster, universiteit of besloten kring bleef, kon nu binnen korte tijd door verschillende steden en landen circuleren. De drukpers democratiseerde niet onmiddellijk de samenleving, maar zij democratiseerde wel steeds meer de toegang tot ideeën.
De geschiedenis laat hier een terugkerend patroon zien: iedere technologische revolutie die burgers meer mogelijkheden geeft om informatie te verspreiden, wordt gevolgd door pogingen van bestaande machtsstructuren om die nieuwe communicatiemiddelen te beheersen. Dat gebeurde met de drukpers, later met kranten, radio en televisie, en het gebeurt vandaag opnieuw met internet en sociale media.
De Reformatie vormde vervolgens een cruciaal keerpunt. Toen Maarten Luther in 1517 zijn stellingen publiceerde, werd zijn kritiek mede dankzij de drukpers razendsnel verspreid. Luther vocht niet primair voor vrijheid van meningsuiting zoals wij die vandaag kennen; hij vocht voor religieuze waarheid zoals hij die zelf begreep. Maar de gevolgen van de Reformatie gingen veel verder. Wanneer één individu kan zeggen dat kerkelijke autoriteit ongelijk heeft, ontstaat onvermijdelijk een diepere vraag: waarom zou het individuele geweten volledig ondergeschikt moeten zijn aan institutionele macht? Dat idee bleek revolutionair.
De Europese godsdienstoorlogen maakten tegelijkertijd duidelijk hoe gevaarlijk het kon zijn wanneer iedere religieuze of politieke partij meende het absolute monopolie op waarheid te bezitten. Langzaam begon daardoor het idee van tolerantie terrein te winnen, niet noodzakelijk omdat iedereen plotseling liberaal werd, maar omdat samenlevingen ontdekten dat permanente vervolging van afwijkende overtuigingen uiteindelijk onhoudbaar was.

Van Milton tot het First Amendment

Een belangrijke stap werd in 1644 gezet door de Engelse schrijver John Milton. In zijn beroemde Areopagitica verzette hij zich tegen voorafgaande censuur van boeken. Zijn argument was diepgaand. Wanneer de overheid vooraf bepaalt welke ideeën mogen worden gepubliceerd, veronderstelt zij in feite dat zij zelf reeds weet welke ideeën waar zijn. Maar wanneer de overheid zich daarin vergist, vernietigt zij mogelijk juist de waarheid die zij denkt te beschermen. Daarmee ontstond een fundamenteel liberaal beginsel: waarheid moet niet worden beschermd door alle onwaarheid te verbieden; zij moet sterk genoeg zijn om de confrontatie met onwaarheid aan te gaan.
Ook Baruch Spinoza leverde in de zeventiende eeuw een uitzonderlijk moderne bijdrage. Hij stelde dat een staat mensen wel kan dwingen bepaalde wetten te gehoorzamen, maar nauwelijks werkelijk kan bepalen wat zij denken. Een overheid die voortdurend probeert gedachten en overtuigingen te controleren, creëert volgens Spinoza geen stabiele samenleving maar juist hypocrisie, angst en conflict. De verstandigste staat is daarom niet de staat die iedereen hetzelfde laat denken, maar de staat die verschil van mening kan verdragen. Vrijheid van meningsuiting wordt hier niet alleen verdedigd omdat zij prettig is voor het individu, maar ook omdat zij in het belang van de samenleving en uiteindelijk zelfs van de staat zelf is.
In 1689 werd in Engeland de Bill of Rights aangenomen. Daarin werd onder andere de vrijheid van spreken binnen het parlement beschermd. Dat was nog geen algemene vrijheid van meningsuiting voor iedere inwoner, maar wel een wezenlijke stap. Zelfs de monarch kon niet onbeperkt optreden tegen politieke uitspraken van vertegenwoordigers. Macht begon juridisch te worden begrensd en het idee dat de staat zelf aan regels moest worden onderworpen werd steeds sterker.
In de achttiende eeuw volgde vervolgens een intellectuele explosie. Denken over vrijheid, rede, individuele rechten en beperkte overheid kreeg een steeds centralere plaats. Locke, Voltaire, Montesquieu en vele anderen droegen bij aan een politieke cultuur waarin niet langer vanzelfsprekend werd aangenomen dat macht van bovenaf haar legitimiteit ontleende aan God of traditie. De legitimiteit van macht moest rationeel worden verklaard. En wanneer individuen natuurlijke rechten bezitten, ontstaat onmiddellijk de vraag waarom één van de meest elementaire menselijke activiteiten - spreken, schrijven en denken - door de overheid gecontroleerd zou mogen worden.
De grote politieke revoluties aan het einde van de achttiende eeuw maakten van deze filosofische ideeën juridisch erkende rechten. De Franse Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger van 1789 stelde dat de vrije communicatie van gedachten en meningen een van de kostbaarste rechten van de mens is. Twee jaar later bepaalde het Amerikaanse First Amendment dat het Congres geen wet mocht aannemen die de vrijheid van meningsuiting of pers beknotte. Daarmee veranderde de positie van de burger fundamenteel. Hij hoefde niet langer toestemming te vragen om een mening te hebben; de staat moest uitleggen waarom hij eventueel gerechtigd zou zijn die vrijheid te beperken. Dat lijkt misschien een subtiel juridisch verschil, maar in werkelijkheid is het een beschavingsbreuk.

Mill en de lessen van de twintigste eeuw

In 1859 verscheen vervolgens een van de belangrijkste teksten ooit geschreven over individuele vrijheid: On Liberty van John Stuart Mill. Mill stelde een ogenschijnlijk eenvoudige maar diepgaande vraag: wat als de mening die wij verbieden waar blijkt te zijn? Dan hebben wij de waarheid het zwijgen opgelegd. Maar zelfs wanneer die mening volledig onwaar is, kan het volgens Mill schadelijk zijn haar te verbieden. Overtuigingen die nooit worden tegengesproken, veranderen namelijk gemakkelijk in dogma's. Mensen herhalen dan wat zij geloven zonder nog te weten waarom zij het geloven. Een samenleving heeft daarom tegenspraak nodig. Zelfs dwaling kan een functie hebben, omdat een verkeerde gedachte de waarheid dwingt zichzelf opnieuw te verdedigen. Vrijheid van meningsuiting beschermt daarmee niet alleen de spreker, maar het intellectuele vermogen van de gehele samenleving.
De twintigste eeuw heeft vervolgens op dramatische wijze laten zien wat er kan gebeuren wanneer staten opnieuw aanspraak maken op een monopolie op waarheid. Zowel fascistische en nationaalsocialistische regimes als communistische dictaturen maakten censuur en propaganda tot structurele instrumenten van macht. Onafhankelijke kranten werden gesloten, schrijvers en intellectuelen vervolgd, boeken verboden of verbrand en politieke tegenstanders uit het publieke debat verwijderd. Het ging daarbij niet alleen om het verhinderen van kritiek. Totalitaire macht trachtte ook de taal zelf te beheersen, omdat wie de woorden bepaalt waarmee over de werkelijkheid gesproken wordt, uiteindelijk ook invloed krijgt op de manier waarop die werkelijkheid wordt begrepen.
Na de Tweede Wereldoorlog was het daarom niet verwonderlijk dat vrijheid van meningsuiting een prominente plaats kreeg in de nieuwe internationale mensenrechtenorde. Artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 erkende niet alleen het recht om een mening te hebben, maar ook om informatie en ideeën te zoeken, te ontvangen en te verspreiden. In Europa werd dezelfde gedachte vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarmee werd een beginsel dat eeuwenlang het resultaat was geweest van politieke strijd en filosofische ontwikkeling voor het eerst als een universeel mensenrecht geformuleerd.

Wie trekt de grens?

Toch is vrijheid van meningsuiting vrijwel nergens absoluut. Dat hoeft op zichzelf ook geen probleem te zijn. Een concrete bedreiging is niet hetzelfde als scherpe politieke kritiek, laster is iets anders dan een onwelgevallige mening en een directe oproep tot geweld kan niet zonder meer op één lijn worden gesteld met een provocerende of beledigende uitspraak. De werkelijke moeilijkheid begint daarom niet bij de vaststelling dát er grenzen bestaan, maar bij de vraag wie ze bepaalt, hoe ruim ze worden getrokken en in hoeverre ze op iedereen gelijk worden toegepast.
Juist daar wordt de geschiedenis interessant. Machthebbers hebben immers zelden gezegd dat zij censuur toepassen omdat zij kritiek onaangenaam vinden. Vrijwel altijd wordt een hoger doel aangevoerd. De openbare orde moet worden beschermd, de samenleving moet worden gevrijwaard van gevaarlijke denkbeelden, de nationale veiligheid staat op het spel, extremisme moet worden bestreden of de bevolking moet worden beschermd tegen misleiding. Dergelijke argumenten kunnen soms volkomen legitiem zijn. Maar zij behoren tegelijkertijd tot de oudste rechtvaardigingen voor beperkingen van het vrije woord. De geschiedenis leert daarom niet dat iedere beperking verkeerd is, maar wel dat iedere beperking kritisch moet worden onderzocht, juist wanneer zij wordt gepresenteerd als noodzakelijk en welwillend.

De stille censuur van onze tijd

In onze eigen tijd heeft deze discussie een nieuwe vorm aangenomen. Nooit eerder beschikte een individueel mens over zoveel technische mogelijkheden om een mening te verspreiden. Waar Gutenberg in de vijftiende eeuw een revolutie ontketende doordat teksten ineens in honderden exemplaren konden worden gedrukt, beschikt vandaag vrijwel iedereen met een telefoon over een communicatiemiddel waarmee een uitspraak in enkele minuten de hele wereld kan bereiken. In dat opzicht heeft de techniek een niveau van vrijheid mogelijk gemaakt waarvan Milton, Spinoza of Mill nauwelijks hadden kunnen dromen.
Maar precies die ongekende overvloed aan communicatie heeft nieuwe problemen geschapen. Niet alleen overheden, maar ook technologiebedrijven, werkgevers, universiteiten, mediaorganisaties en digitale platforms zijn in staat om de zichtbaarheid van ideeën sterk te beïnvloeden. Daardoor is de klassieke voorstelling van censuur - een ambtenaar die een manuscript verbiedt of een politieagent die een drukkerij sluit - niet langer voldoende om te begrijpen hoe vrijheid in een moderne samenleving kan worden beperkt.
De hedendaagse macht over meningsuiting is veel diffuser geworden. Een uitspraak hoeft niet formeel verboden te worden om effectief uit het publieke debat te verdwijnen. Een algoritme kan haar nauwelijks zichtbaar maken, een platform kan haar verwijderen, een werkgever kan eraan consequenties verbinden of een sociale omgeving kan ervoor zorgen dat mensen bepaalde gedachten eenvoudigweg niet meer durven uit te spreken. Daardoor ontstaat een onderscheid dat misschien belangrijker is dan ooit: het verschil tussen juridische vrijheid en feitelijke vrijheid.
Een samenleving kan namelijk op papier een zeer ruime vrijheid van meningsuiting kennen, terwijl tegelijkertijd een klimaat bestaat waarin grote groepen mensen voortdurend afwegen welke mening zij zich maatschappelijk nog kunnen permitteren. Niemand hoeft daarbij officieel te worden gecensureerd. Zelfcensuur kan voldoende zijn. Zij werkt subtieler dan een verbod, juist omdat zij nauwelijks zichtbaar is. Er is geen lijst van verboden boeken, geen ministerie van waarheid en geen formele instructie om te zwijgen. Mensen leren eenvoudig welke opmerkingen carrièretechnisch onverstandig zijn, welke vragen sociale reputatieschade opleveren en welke onderwerpen men beter kan vermijden.
Dat probleem is overigens niet geheel nieuw. Alexis de Tocqueville waarschuwde in de negentiende eeuw al voor de macht van de meerderheid in democratische samenlevingen. Een absolute vorst kon iemand gevangen zetten, maar een sociale meerderheid beschikte volgens hem over een andere vorm van macht: zij kon iemand moreel en maatschappelijk isoleren. De moderne wereld heeft aan die observatie een nieuwe dimensie toegevoegd, omdat reputatie tegenwoordig niet meer lokaal is. Een uitspraak kan worden vastgelegd, verspreid, uit haar context worden gehaald en jarenlang digitaal blijven bestaan.

Wie bepaalt wat waar is?

Daarmee komen we tevens bij een andere fundamentele vraag van onze tijd: hoe moet een vrije samenleving omgaan met informatie die onjuist is? Het internet heeft niet alleen kennis gedemocratiseerd, maar ook leugen, manipulatie en propaganda. Deepfakes, geautomatiseerde beïnvloeding en kunstmatig gegenereerde informatie maken het steeds moeilijker om werkelijkheid en fabricatie onmiddellijk van elkaar te onderscheiden. Het is daarom begrijpelijk dat regeringen en maatschappelijke organisaties proberen desinformatie tegen te gaan.
Maar juist daar verschijnt het eeuwenoude probleem opnieuw. Wie krijgt uiteindelijk de bevoegdheid om te bepalen wat waarheid en wat onwaarheid is? Die vraag kan niet worden afgedaan met de constatering dat feiten bestaan. Natuurlijk bestaan feiten, en natuurlijk kunnen aantoonbare onwaarheden worden vastgesteld. Maar wetenschap ontwikkelt zich, historische interpretaties veranderen, officiële verklaringen blijken soms onjuist en deskundigen kunnen zich vergissen. Het gevaar schuilt daarom niet in het streven naar waarheid, maar in het verlenen van een te groot institutioneel gezag aan degenen die beweren haar definitief te vertegenwoordigen.
Dat brengt ons terug bij John Stuart Mill. Zijn pleidooi voor vrijheid was uiteindelijk gebaseerd op menselijke feilbaarheid. Niemand bezit de waarheid volledig en niemand kan met absolute zekerheid weten welke opvatting later toch een element van waarheid zal blijken te bevatten. Zelfs een onjuiste mening kan maatschappelijk nuttig zijn wanneer zij dwingt tot argumentatie. Een waarheid die nooit wordt uitgedaagd, verliest gemakkelijk haar intellectuele fundament en verandert in een formule die mensen slechts herhalen.

Vrijheid of toestemming

Daarom is echte vrijheid van meningsuiting uiteindelijk ongemakkelijk. Zij beschermt niet alleen verstandige, gematigde en goed geformuleerde gedachten. Zij beschermt ook onhandige, aanstootgevende, absurde en soms ronduit verkeerde ideeën. Dat is geen defect van het beginsel, maar juist de kern ervan. Zodra alleen maatschappelijk goedgekeurde of aantoonbaar juiste opvattingen bescherming genieten, spreken we niet langer over vrijheid, maar over toestemming.
De werkelijke proef ontstaat dan ook nooit wanneer iemand iets zegt waarmee vrijwel iedereen het eens is. Vrijheid krijgt pas betekenis wanneer een uitspraak ons irriteert, beledigt of verontwaardigt. Op dat moment wordt duidelijk of wij een beginsel verdedigen of slechts onze eigen positie. Politieke bewegingen, regeringen en maatschappelijke groepen vinden vrijheid van meningsuiting doorgaans aantrekkelijk zolang zij zelf in de oppositie verkeren. De beslissende test komt wanneer zij macht bezitten en moeten verdragen dat anderen precies dezelfde vrijheid gebruiken om hén te bestrijden.
Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste les die uit de geschiedenis kan worden getrokken. Vrijheid van meningsuiting is geen eindstation dat een samenleving eenmaal bereikt en vervolgens bezit. Zij is een voortdurend evenwicht tussen vrijheid en macht, tussen waarheid en onzekerheid, tussen bescherming en bemoeienis. Iedere generatie ontdekt opnieuw overtuigende redenen waarom een bepaalde uitspraak te gevaarlijk, te kwetsend of te onverantwoord zou zijn om vrij te laten circuleren. En iedere generatie moet daarom opnieuw bepalen hoeveel vertrouwen zij heeft in open debat en hoeveel macht zij bereid is toe te kennen aan degenen die dat debat willen begrenzen.
Sinds Gutenberg zijn drukpers in Mainz perfectioneerde, is de techniek onherkenbaar veranderd. De pamfletten van de Reformatie werden kranten, kranten werden radio en televisie, en televisie werd internet, sociale media en kunstmatige intelligentie. Maar onder al die technologische veranderingen is dezelfde vraag blijven bestaan: wie heeft uiteindelijk het recht om te bepalen welke gedachten anderen mogen horen?
De geschiedenis van de vrijheid van meningsuiting is daarom in wezen de geschiedenis van de emancipatie van het individu tegenover de macht. Eerst moest de mens toestemming vragen om te spreken. Vervolgens ontstond het recht om te spreken. De uitdaging van onze tijd is te voorkomen dat die ontwikkeling langzaam weer wordt omgekeerd, niet noodzakelijk door openlijke verboden, maar door steeds verfijndere vormen van maatschappelijke, technologische en institutionele controle.
Vrijheid van meningsuiting bestaat uiteindelijk niet omdat alle meningen waardevol zijn. Zij bestaat omdat geen mens, regering, meerderheid of instelling onfeilbaar genoeg is om voor altijd te bepalen welke meningen waardeloos zijn.
Ga verder met lezen
loading
Dit vind je misschien ook leuk
Laat mensen jouw mening weten

Loading