Het Nederlandse pensioenstelsel is in 2026 opnieuw het beste ter wereld, en ook een van de meest solide. Alleen
Denemarken en Zwitserland hebben per inwoner meer geld opzijgezet. Dit stuk legt uit waarom, en wat de lopende pensioenhervorming daaraan verandert.
Hoe een pensioenstelsel werkt
Vrijwel elk land rust op drie pijlers. De eerste is een basispensioen van de overheid, zoals de AOW. De tweede is het
pensioen dat je via je werk opbouwt. De derde is wat je zelf spaart.
Het grote verschil tussen landen zit in de vraag of er een pot geld klaarstaat. Er zijn twee manieren om pensioenen te betalen:
- Omslagstelsel: de werkenden van vandaag betalen de uitkeringen van de gepensioneerden van vandaag. Er wordt niets gespaard. Zo werkt de AOW.
- Kapitaaldekking: iedereen spaart tijdens zijn werkzame leven, het geld wordt belegd en later uitgekeerd. Zo werken de Nederlandse pensioenfondsen.
Een omslagstelsel is kwetsbaar als er steeds meer ouderen en steeds minder werkenden zijn. Dat is precies wat er in heel Europa gebeurt. Een land met een grote spaarpot staat dan sterker: het geld ligt er al.
De ranglijst: Nederland eerste, Denemarken vlak erachter
Elk jaar vergelijken het adviesbureau Marsh (voorheen Mercer) en het CFA Institute de pensioenstelsels van 55 landen. In de editie van 20 oktober 2026 staat Nederland voor het vierde jaar op rij bovenaan. De score is een gewogen gemiddelde van drie onderdelen:
- Toereikendheid (40%): krijg je een fatsoenlijk pensioen?
- Duurzaamheid (35%): is het stelsel over twintig of dertig jaar nog te betalen? Dit is wat we hier soliditeit noemen.
- Integriteit (25%): is het goed bestuurd, gecontroleerd en transparant?
| Land | Cijfer | Totaal | Toereikend | Duurzaam | Integriteit |
| Nederland | A | 85,8 | 87,7 | 82,6 | 87,2 |
| Denemarken | A | 84,1 | 84,2 | 84,8 | 82,9 |
| Zweden | B+ | 78,8 | 78,2 | 76,2 | 83,6 |
| Finland | B+ | 77,6 | 79,2 | 66,5 | 90,5 |
| Noorwegen | B+ | 77,0 | 78,0 | 66,4 | 90,4 |
| Zwitserland | B | 73,6 | 68,4 | 72,8 | 83,1 |
| Duitsland | B | 67,9 | 79,8 | 47,2 | 78,0 |
Drie dingen springen eruit. Denemarken heeft de hoogste duurzaamheidsscore van alle 55 landen, net boven Nederland. Finland en Noorwegen zijn het best bestuurd, maar scoren matig op houdbaarheid.
Duitsland geeft goede uitkeringen, maar heeft de zwakste toekomstbestendigheid van de zeven.
De spaarpot: hoeveel geld ligt er klaar?
Wie wil weten hoe solide een stelsel is, kijkt naar de spaarpot. In Nederland ligt per inwoner ongeveer $98.000 (circa € 94.000) aan pensioengeld klaar. Dat is ruim anderhalf keer de omvang van de hele Nederlandse economie.
Bron: OECD Pensions at a Glance 2025, tabel 9.2 (eind 2024); per inwoner = eigen berekening met bevolking 2024 (bij benadering).
Een vergelijking per deelnemer bestaat niet, omdat landen deelnemers verschillend tellen en veel mensen bij meerdere fondsen zitten. Per inwoner is daarom de eerlijkste maatstaf. Het lichte deel van de balken is geld dat de overheid apart zet om omslagpensioenen te ondersteunen; dat is van niemand persoonlijk.
Noorwegen lijkt arm, maar dat is schijn. Het oliefonds telt hier niet mee omdat het formeel geen pensioengeld is. Wie het wel meerekent, komt op ruim $300.000 per Noor, het hoogste bedrag van allemaal. Duitsland heeft met zo'n $4.000 per inwoner nauwelijks iets opzijgezet.
Zes landen in het kort
Denemarken lijkt het meest op Nederland: een basispensioen van de staat plus verplichte, goed gevulde werknemerspensioenen. Het verschil is dat Denemarken de pensioenleeftijd strikt laat meestijgen met de levensverwachting. Daardoor blijft het stelsel betaalbaar, en dat verklaart de hoogste duurzaamheidsscore ter wereld.
Zweden heeft een slim omslagstelsel met een ingebouwde rem. Raakt het stelsel uit balans, dan worden de uitkeringen automatisch bijgesteld, zonder politiek gesteggel. Daarnaast spaart iedere Zweed verplicht een klein deel in een eigen beleggingspot, en is er een flinke staatsbuffer.
Finland wordt al jaren gezien als het best bestuurde stelsel ter wereld. Het werknemerspensioen is deels gespaard en er staat een grote reserve klaar. Toch drukt de snelle
vergrijzing de houdbaarheid, omdat het grootste deel nog via omslag loopt.
Noorwegen is een buitenbeentje. Het eigenlijke pensioenstelsel draait vooral op omslag, wat de lage duurzaamheidsscore verklaart. Op de achtergrond staat het gigantische oliefonds, maar dat is formeel staatsgeld en geen pensioenpot.
Zwitserland heeft drie stevige pijlers, waaronder een verplicht werknemerspensioen. Er ligt per inwoner meer geld klaar dan waar ook. De zwakke plek is de hoogte van de uitkering vergeleken met het laatstverdiende loon.
Duitsland leunt bijna volledig op het omslagstelsel van de Rentenversicherung. Er is nauwelijks een gespaarde pot, waardoor de vergrijzing hard aankomt. Hervormingen zijn in gang gezet: een nieuw privépensioenprogramma start begin 2027, en de Bundesbank pleit voor koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting na 2031.
Nederland in verbouwing: de Wtp
Nederland staat bovenaan terwijl het zijn stelsel ingrijpend verbouwt. Met de Wet toekomst pensioenen (Wtp) verdwijnt de oude belofte van een vast pensioenbedrag. In plaats daarvan krijgt iedere deelnemer een eigen, zichtbaar deel van de collectieve pot.
De overstap is in volle gang. Op 1 januari 2026 waren 30 fondsen overgestapt, met samen ongeveer 10 miljoen deelnemers en zo'n € 500 miljard vermogen. Voor ruim een miljoen gepensioneerden bij die fondsen ging het pensioen bij de overstap gemiddeld 13,5% omhoog. Uiterlijk op 1 januari 2028 moet iedereen over zijn.
Wat betekent dit voor de soliditeit? De pot zelf blijft even groot, dus het stelsel als geheel blijft even sterk. Wat verandert, is wie het risico draagt. Vroeger ving het fonds schokken op, met jarenlange discussies over kortingen en indexatie als gevolg. Nu bewegen meevallers en tegenvallers sneller mee in het persoonlijke pensioen. Dat is transparanter, maar ook minder zeker voor het individu.
Wat je hieruit moet onthouden
De les uit deze vergelijking is eenvoudig: landen die vroeg zijn gaan sparen, staan nu het sterkst. Nederland, Denemarken en Zwitserland hebben samen de grootste pensioenpotten per inwoner en de beste houdbaarheid. Duitsland, dat bijna niets heeft gespaard, moet de vergrijzing grotendeels uit de lopende begroting betalen.
Voor de Nederlandse deelnemer betekent dit dat het stelsel als geheel zeer solide is. Wel wordt het persoonlijke pensioen met de Wtp gevoeliger voor de beurs. Denemarken laat bovendien zien dat een vaste koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting het verschil kan maken tussen goed en uitstekend.
Bronnen