Afbeelding gemaakt met ChatGPT van OpenAI

Broers ruziën over erfenis: 72-jarige moet na 45 jaar zijn woning verlaten

Economie•

Wilt u DDS vaker zien?

Stel DDS in als voorkeursbron op Google.

Voeg DDS toe op Google
Volg ons op Google Nieuws
Een 72-jarige man uit Vlaardingen moet de woning verlaten waarin hij sinds 1981 met zijn vrouw woont. Zijn 75-jarige broer wacht al jaren op de afwikkeling van hun moeders erfenis. De rechtbank Rotterdam oordeelt dat de bewoner eerdere rechterlijke beslissingen stelselmatig naast zich heeft neergelegd en de verkoop blijft blokkeren.
De man krijgt zes weken na betekening van het vonnis om te vertrekken. Dat is de formele overhandiging door een deurwaarder. De termijn loopt dus niet automatisch vanaf de dag van de uitspraak, 29 september 2026. Uit het vonnis blijkt niet wanneer de ontruiming daadwerkelijk zal plaatsvinden.

Hun moeder overleed in 2011

De broers zijn ieder voor de helft erfgenaam van hun moeder, die op 22 juli 2011 overleed. Tot haar nalatenschap behoort een benedenwoning met een berging en een voor- en achtertuin in Vlaardingen. De jongste broer woont daar met zijn echtgenote al sinds 1981.
Voor hem is het huis daarmee al ongeveer 45 jaar zijn woonplek. Voor zijn broer vertegenwoordigt dezelfde woning een erfdeel waarvan de afwikkeling maar niet wordt afgerond. Die twee belangen staan inmiddels al vele jaren tegenover elkaar.
In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt beschreven hoe eerdere procedures geen einde aan het conflict maakten. Al in 2015 bepaalde de rechtbank hoe de verdeling moest plaatsvinden. Dat oordeel bleef in hoger beroep overeind.

Hij kon de woning krijgen, maar moest wel afrekenen

De eerdere beslissing bood de jongste broer een route om eigenaar van de woning te worden. Daar stond tegenover dat de verdeling bij de notaris moest worden uitgevoerd en dat hij het verschuldigde bedrag aan zijn broer moest betalen.
Het ging dus niet om een situatie waarin onmiddellijk was besloten dat hij na tientallen jaren moest vertrekken. Eerst lag er een mogelijkheid om de woning aan hem toe te delen, met een financiële afrekening tussen de erfgenamen.
Die uitvoering bleef uit. Daarom volgde in april 2025 opnieuw een procedure. De rechtbank stelde toen een termijn van zes weken na betekening om alsnog mee te werken aan de overdracht en de betaling.
Voor het geval dat opnieuw niet zou gebeuren, was een alternatief vastgelegd: verkoop aan een derde. De uitspraak bevatte daarvoor concrete verplichtingen, zoals medewerking aan de makelaar en het verkoopproces. Tegen dat vonnis werd geen rechtsmiddel ingesteld. Het kwam daarmee vast te staan.

Ook de makelaar kreeg geen medewerking

De jongste broer werkte vervolgens niet mee aan de overdracht aan zichzelf. Maar aan verkoop aan iemand anders wilde hij evenmin meewerken. Zijn broer gaf daarop opdracht aan een makelaar. Ondanks een uitdrukkelijk verzoek van die makelaar stond de woning ten tijde van de procedure nog steeds niet te koop.
De bewoner beriep zich op mondelinge afspraken na het overlijden van hun moeder. Volgens zijn uitleg hoefde hij voor de woning geen vergoeding aan zijn broer te betalen. De rechtbank oordeelt dat hij zulke bezwaren in de eerdere procedure had moeten aanvoeren. Het nieuwe kort geding biedt geen mogelijkheid om een onherroepelijk oordeel alsnog terzijde te schuiven.
Dat maakt deze zaak meer dan een meningsverschil over de verkoopprijs. Er lagen al rechterlijke beslissingen over de afwikkeling, maar de noodzakelijke stappen werden niet gezet.

De rechter weegt ook de gevolgen voor het echtpaar

De rechtbank erkent dat ontruiming voor het oudere echtpaar zeer ingrijpend is. Zij wonen er al tientallen jaren en hebben nog geen andere woonruimte gevonden. Toch vindt de rechter dat zij zich al geruime tijd op een vertrek hadden kunnen voorbereiden.
Tegelijk wordt het belang van de oudste broer zwaarder naarmate de blokkade voortduurt. Hij ondervindt financiële en fiscale gevolgen van de onverdeelde woning. Volgens de rechter zal verkoop ernstig worden bemoeilijkt zolang de jongste broer en zijn vrouw er blijven wonen en medewerking weigeren.
De gevraagde termijn van veertien dagen vindt de rechtbank te kort. Het worden zes weken na betekening. Een nieuwe dwangsom komt er niet: de rechter verwacht onvoldoende effect van nog een financiële prikkel.

Een regeling tussen de broers blijft mogelijk

De jongste broer moet €1.860,02 aan proceskosten betalen, met mogelijke aanvullende kosten bij betekening. De eis om alle werkelijke advocaatkosten te vergoeden, wordt afgewezen.
Het vonnis laat ruimte voor een andere afloop wanneer de broers alsnog afspraken maken. De rechtbank noemt blijven wonen tegen betaling van een redelijke vergoeding aan de oudste broer als mogelijke oplossing. Daarvoor moet de bewoner wel accepteren dat hij nog geld verschuldigd is.
Ook bij andere conflicten over een woning uit een erfenis zijn de belangen van mede-erfgenamen bepalend. In deze zaak woog vooral het jarenlang niet uitvoeren van vaststaande beslissingen zwaar. Alleen lang in een geërfd huis wonen verklaart de ontruiming dus niet; de aanhoudende blokkade gaf de doorslag.
Ga verder met lezen
loading
Dit vind je misschien ook leuk
Laat mensen jouw mening weten

Loading