De vrijheidsbijdrage die het kabinet wil invoeren om de hogere
defensie-uitgaven te betalen, kost een alleenstaande met een arbeidsinkomen van €50.000 in 2027 ongeveer €120 netto per jaar. Dat schrijft het kabinet in de
nota bij het Belastingplan 2027 van 9 oktober. Het voorbeeld gaat uit van iemand zonder kinderen, zonder koopwoning en zonder vermogen.
Het is geen aparte heffing en je ziet hem nergens als losse regel op je loonstrook. Het kabinet haalt het geld op door de belastingschijven en heffingskortingen minder te laten meegroeien met de prijzen. Het plan moet nog door de Tweede en de Eerste Kamer.
Zo werkt de bijdrage
Normaal schuiven de grenzen van de belastingschijven en de heffingskortingen elk jaar mee met de inflatie. Daarvoor gebruikt de overheid de tabelcorrectiefactor. Voor 2027 zou die 2,6 procent zijn. Het kabinet wil die correctie volgens de
factsheets bij het Belastingplan maar voor 48 procent toepassen. De schijven en kortingen groeien dan met ruim 1,2 procent in plaats van 2,6 procent.
Het gevolg: als je
loon of pensioen gewoon meestijgt met de prijzen, valt een groter deel ervan in een hoger tarief, en compenseren je heffingskortingen minder. Je betaalt dus meer belasting zonder dat er een tarief omhooggaat. Neem het principe: groeit je loon 2,6 procent mee met de prijzen, maar schuift de schijfgrens maar ruim 1,2 procent op, dan valt het stukje daartussen in een hoger tarief. Hetzelfde geldt voor de algemene heffingskorting en de arbeidskorting: die groeien minder mee, en trekken dus minder van je belasting af dan bij volledige indexatie. Voor 2028 wil het kabinet hetzelfde doen. Hoe groot de beperking dan wordt, hangt af van de inflatie en wordt pas in 2028 vastgesteld.
Wat het per groep kost
In de nota heeft het kabinet de effecten van de vrijheidsbijdrage over 2027 en 2028 samen doorgerekend. Huishoudens gaan er in doorsnee 0,7 procent op achteruit. Per groep:
| Groep | Inkomenseffect |
| Werkenden | -0,7% |
| Gepensioneerden | -0,7% |
| Uitkeringsgerechtigden | -0,5% |
| Laagste inkomens (tot 108% minimumloon) | -0,7% |
| Hoogste inkomens (boven 381% minimumloon) | -0,7% |
Gepensioneerden betalen dus in verhouding net zoveel mee als werkenden. Wie AOW en een aanvullend pensioen heeft, merkt het via de loonheffing op het pensioen. Daar komen nog andere wijzigingen bij, zoals de lagere ouderenkorting. Hoe die samen uitpakken, liet het kabinet eerder zien in het
rekenvoorbeeld voor AOW'ers met een pensioen.
Burgers betalen het grootste deel
Burgers brengen in 2027 €1,5 miljard op en vanaf 2028 structureel €3,4 miljard. Bedrijven dragen bij via een hogere Aof-premie, de premie voor arbeidsongeschiktheid die werkgevers betalen: €1,5 miljard in 2027 en structureel €1,7 miljard. Die premie stelt de minister vast bij regeling. De Kamer beslist bij het Belastingplan formeel alleen over het deel dat burgers betalen.
Het kabinet zegt de gevolgen te willen verzachten met het koopkrachtpakket uit de Miljoenennota en een brief van 29 september. Daarin gaat de arbeidskorting in 2027 met €133 omhoog, en schuift de grens van het toptarief op. Ook loopt de
korting op de benzineaccijns voorlopig door. Wat er per saldo overblijft, verschilt per huishouden.
Wanneer je het merkt
Gaat het plan door, dan zit het effect vanaf januari 2027 in de loonheffing. Je ziet het dus niet als aparte post, maar in een iets lager nettobedrag dan je met dezelfde loonsverhoging zonder deze maatregel had gekregen. Bij een pensioen geldt hetzelfde voor de maandelijkse uitkering. Heb je spaargeld, dan speelt in 2027 ook het kabinetsplan voor een
lager heffingsvrij vermogen in box 3.
Leg in januari je eerste loonstrook of pensioenspecificatie van 2027 naast die van december. Daalt je nettobedrag terwijl je bruto gelijk is gebleven of licht is gestegen, dan zie je daar het effect van de schijven en kortingen.
Wil je vaker zulke uitleg over je geld in je tijdlijn? Like en volg DDS op
Facebook.